Gras is om in te liggen, deel 97. juli
2006
Het moerasje bij Breugel een oud turfgat. John Bruinsma.  


Vlak bij mijn huis, aan de overkant van de Planetenlaan in Breugel, ligt een klein moeras (Am. coörd. 163,18/392,55). Het is pakweg 50 x 100 m: echt klein dus. Het moeras is diep: met een harksteel van ruim anderhalve meter is de bodem niet overal te peilen. Als ik er alleen heen ga, is dat nooit langer dan een uur en vraag ik bij voorbaat om hulp als ik langer weg zou blijven. Ik heb er drie soortenlijstjes gemaakt: vanaf 1983 t/m '89, in 1992 en in 2005.

Het moerasje langs de Planetenlaan, Breugel, gezien vanaf de zuidrand = wegberm, 22 maart 2005. De planten rechtsvoor en in het midden zijn Cardamine Amara - Bittere Veldkers.  
Fig. 1: Het moerasje langs de Planetenlaan, Breugel, gezien vanaf de zuidrand = wegberm, 22 maart 2005. De planten rechtsvoor en in het midden zijn Cardamine Amara - Bittere Veldkers..  

Het moerasje is een verzameling moerputten: turfgaten, deels van vrij willekeurige vorm (ooit rond geweest?), deels nette langgerekte gaten langs dito onvergraven stroken: legakkers. Op school leerde je dat turf werd gewonnen in de Peel, de Veenkoloniën en in het Utrechts-Hollands plassengebied, later leerde je ook dat de vennen zijn ontstaan door (middeleeuwse) turfgraverij. Van kleinschalige turfwinning zoals in de Klotputten, de Moerputten en de Moerkuilen had ik inmiddels gelezen en ook dat er in de Langstraat turf werd gewonnen, waardoor verlandende schraallanden ontstonden die men 'papieren zolders' noemde.
Eveneens is, in zijn algemeenheid tot de opkomst van de steenkool rond de Eerste wereldoorlog, turf gewonnen, 'gemoerd' in beekdalen. Voor de Vallei van de Zwarte beek, bij Hechteld (Hasselt), Belgiës beroemdste beek, is dit beschreven door Joël Burny 1999. Andere voorbeelden zijn de Dolinger Putten(1) in het (brede) dal van de Strijper Aa bij Leende (Iven en Van Gerwen (1974) en de Turfveldjes langs de Tongelreep op Gennep (Van Schooten et. al. 2001). Ook bij Bokt, toen Son, op het Bokterbroek is turf gestoken (Hutten 1987) en in de Heemtuin Frater Simon Deltour liggen enkele kleine, recente turfgaten. Ongetwijfeld is dit alles slechts het topje van de turfberg. Kleinschalige turfwinning is weer opgepakt toen de aanvoer van steenkolen in de Tweede wereldoorlog ophield. En dat is precies wat er volgens mijn zegsman Gerrit van Eck in Breugel gebeurd is. Ik ben bij hem op bezoek gegaan naar aanleiding van een artikel in het blad van de plaatselijke heemkundekring (Wilbrink-Schoppert 2001), waarin het moerasje ter sprake kwam. Gerrit van Eck wist te vertellen dat er in de Tweede wereldoorlog in het moerasje klot, een harde turf, is gewonnen, gebruik makend van oud gereedschap en van oude kennis over hoe dat moest: zo lang mogelijk droog werken, uitbaggeren, drogen, snijden enz.

Het is erg waarschijnlijk dat het veen in het moerasje zeer oud is. Hier is het veen bij mijn weten nooit gedateerd, maar wel weten we iets van veen dat toevalligerwijs werd opgegraven bij de aanleg van een rioolwaterberging, een grote betonnen bak aan de rand van het Dommeldal in Breugel in 1998. Er werd een flink gat gegraven, en ook zonder veel verstand van geologie was goed te zien, dat de ene wand van het gat uit zand en leem bestond en de andere helft uit veen. Alsof er precies op de grens van een met veen volgegroeide oude meander gegraven was. De kraanmachinist was zo attent om een hem onbekend voorwerp uit dat veen aan de kant te leggen. Dat bleek volgens B. Geit(2), de zeer deskundige amateur-archeoloog in Son en Breugel, de hoornpit van een oerrund te zijn. In de buurt heeft Geit veel materiaal uit de ijzertijd gevonden en na omstreeks 400 zijn oerrundresten in Nederland niet meer aangetroffen. Zo kan aannemelijk worden gemaakt dat het veen is ontstaan 'ergens' tussen de laatste ijstijd en de vroege middeleeuwen, in elk geval in zeer veel voedselarmer tijden dan tegenwoordig.
Er liggen trouwens meer van deze veenplekken, zelfs buiten het huidige beekdal. Zo bleek in de jaren '80 dat er geheid moest worden voor villa's aan de rand van het Dommeldal, 'gewoon' hoog en droog op de voormalige roggeakker. Er bleek een overstoven veenlaag onder te liggen en ooit was dus ook dit Dommeldal.

  Cardamine amara  Bittere veldkers. Planten 15-45 cm, Pinksterbloemachtig. Helmknoppen paars.
  Fig. 2: NCardamine amara Bittere veldkers. Planten 15-45 cm, Pinksterbloemachtig. Helmknoppen paars.

Het moerasje is zeker voedselrijk, maar niet zo voedselrijk als je zou verwachten langs een intensief gebruikt landbouwgebied. Er is het hele jaar aanvoer van kwelwater. Het water in het moeras stroomt altijd een beetje, de mate waarin wisselt met de seizoenen. Plaatselijk zijn er ijzerplekken. Enerzijds is er met het grondwater een constante aanvoer van voedingstoffen, anderzijds binden het ijzer en de kalk in het grondwater fosfaat, zodat deze voedingstof minder beschikbaar is voor planten. Dit grondwater is van min of meer lokale herkomst, d.w.z. dat het uit de bovenste watervoerende laag komt (pakweg 2-5 meter) en niet van diepere waterlagen die onder min of meer afsluitende leempakketten liggen (Jalink, Laeven en Van Boschinga 2000 en achterliggende rapporten). Het aangevoerde water wordt met kalk aangerijkt(3), doordat het door zand en leem van de Nuenengroep stroomt. Dat is een bodemlaag die in en rond de laatste twee ijstijden door ijs, water en wind is neergelegd en die plaatselijk kalkrijk is.

Dat de gewonnen turf erg vast is en dat de diepe gaten nu maar langzaam weer met veen opvullen is, zoals ik dat nu zie, het gevolg van hetzelfde proces. Organisch materiaal dat op zo'n kalkrijke plek terecht komt, vergaat met relatief grote snelheid onder invloed van de toegevoerde kalk. Vergelijk het met het toevoegen van kalk aan de composthoop. De deeltjes worden zeer fijn: de vaste turf, en de hoeveelheid die overblijft is zeer klein: de lage groeisnelheid.

De randen van het moerasje zijn verdroogd, maar in het midden is het een elzenbroek waarin het voor de zich voorzichtig voortbewegende florist goed toeven is. Op mijn lijstjes van 1992 en 2005 staan ruim 60 soorten Er komen onder andere voor: een stuk of vier Carex-(Zegge)-soorten waaronder Carex acutiformis (Moeraszegge), Ribes nigrum (Zwarte bes), Equisetum fluviatile (Holpijp), Thalictrum flavum (Poelruit), Sium latifolium (Grote watereppe)(4), veel Cardamine amara (Bittere veldkers), afnemend Caltha palustris subsp. palustris (Gewone dotterbloem) en op mijn lijstjes van de jaren 80 en 1992 ook Calla palustris (Slangewortel). De meeste hier genoemde soorten zijn in de regio tamelijk zeldzaam en/ of achteruitgaand (Spronk et.al 2006). Ik kan me van de jaren '80 en begin '90 herinneren dat de wateroppervlaktes zwart en onbedekt waren. Tegenwoordig groeit er nogal wat Lemna minuta (Dwergkroos), een exoot die zich sinds de jaren '80 in hoog tempo aan het uitbreiden is en die in tegenstelling tot de inheemse eendenkrozen schaduw tolereert. Door dat laatste kan hij ook in het bos groeien, zoals hier in het elzenbroek. Enkele van bovengenoemde soorten zijn bepaald niet algemeen in de regio. Kwelrijke Veldkers- en Moeraszeggerijke niet verdroogde elzenbroekbossen zijn schaars en zijn de laatste decennia achteruitgegaan, vooral door verdroging en vermesting (Baar, 1991). Door de meeste elzenbroeken kun tegenwoordig 's zomers met gemak op gewone schoenenlopen zonder natte voeten te krijgen. Je moet dan wel de bramen of brandnetels voor lief nemen.

Op alle oude topografische kaarten die ik geraadpleegd heb (1837, 1897(5)*, 1921) is hier geen bosje, maar een beemd (gras, zeggen, biezen enz): kleine percelen met sloten en houtwallen. Het is waarschijnlijk dezelfde structuur als die we nu nog zien in het grasland meer naar de Dommel toe. Op de top.kaart van plm. 1949 is een bosje ingetekend(6). Wellicht dat het bosje ontstaan is samen met het veranderen van de zeer natte percelen in turfgaten.

Elzenbroek werd vroeger beheerd als hakhout. Er werd regelmatig gekapt, gemiddeld eens in de 10 jaar. Daardoor ontstond een cyclisch lichtregime. In de jaren kort na de kap was bloei van planten het meest uitbundig (Stortelder c.s. 1998). Dat werd met de kroonsluiting minder, tot er weer gekapt werd. In de meeste elzenbossen (denk ook aan het Naardermeer en aan de vele plassen in West-Nederland en Noordwest-Overijssel) is dit beheer kort na 1950 gestopt. Het moerasje bij Breugel is voor het laatste gekapt begin jaren '70, rond de verkoop aan Brabants Landschap. Sindsdien is er niets meer aan gedaan, behalve dan dat er naast het moeras essen zijn aangeplant waaronder het zeer brandnetelrijk is. Het niets doen-beheer/achterstallig onderhoud/verwaarlozing (doorstrepen naar believen) verklaart in het Breugelse moeras de achteruitgang van onder andere de Dotterbloemen en waarschijnlijk ook het verdwijnen van de Slangewortel.

Ook andere organismegroepen zullen altijd op het beheer hebben gereageerd. Kort na het uitkappen zullen er vogels van open standplaatsen zijn, later meer struikvogels en bij achterwege blijven van beheer bosvogels. Daar is literatuur over (geciteerd in Stortelder c.s. 1998) en wellicht ook kennis bij vogelende KNNV-leden. Beekdalbroekbossen zijn ook van betekenis voor onder meer reptielen, amfibieën, insecten, paddestoelen en mossen. Hoe die op de cyclische kap reageren, weet ik niet. Factoren als licht, structuur, vocht, windsnelheid, dood hout, zaadvorming en eetbaarheid van het blad zullen hier een rol spelen, een rijtje dat gerust mag worden aangevuld met enzovoort.

Het (Bittere) Veldkers-Elzenbroek is het meest waardevolle bostype in beekdalen (Stortelder c.s. 1998). Het komt alleen zeer lokaal voor en wordt alsmaar zeldzamer. Voor het beheer is in de eerste plaats de toestroom van niet al te vervuild grondwater van belang en een voldoende waterstand in het gebied. Het grondwater dat er nu aankomt, is naast ijzer- en bufferstofrijk, ook rijk aan zwavel en chloor (Jalink en Van Boschinga 2000). Dat hangt samen met de vervuiling en daarmee samenhangende chemische processen ondergronds. Optimaal is dit op de lange duur zeker niet en de vraag is of je dit kunt beïnvloeden. Het houdt namelijk in dat er grondwaterstroomopwaarts (boerenland) iets moet gebeuren: bufferstroken? Of de huidige waterstand en ontwatering optimaal is, staat te bezien, maar het is zeker niet zo dat verhoging van de waterstand automatisch tot betere resultaten leidt. Als bijvoorbeeld verhoging van de waterstand leidt tot verlaging van de kweldruk, gaat de waterkwaliteit achteruit: van kwelwater naar regenwater. Stortelder c.s. 1998 beveelt niets doen of over een deel van het oppervlak niets doen aan. Ik stel me bij niets doen voor dat het bos vanzelf van ouderdom in elkaar stort en er dan weer lichte plekken in ontstaan waar de ondergroei kansen krijgt. Het elzenbroekje in Breugel is daar nu aardig mee bezig. Te peinzen valt over uitbreiding van de turfgaten, bijvoorbeeld richting brandnetels en essen of over uitbreiding meer het beekdal in. Het zou mede een 'levend geschiedenis'-project kunnen zijn waarin oude vaardigheden het moeren worden aangeleerd en doorgegeven. Misschien zijn wat dieper in het beekdal ook oude graslanden te herstellen. Daar is mogelijk wel diepe kwel (Jalink, Laeven Van Boschinga 2000).

Wie er op bezoek gaat, moet ook eens letten op de drogere westrand van het bosje. Er staat onder andere een oude Rhamnus catharticus (Wegedoorn) in. Deze soort is als spontane vestiging of oude aanplant in de regio zeer zeldzaam. Minder aardig is dat bij de toegang, voor zover daarvan sprake is, twee soorten uit tuinafval zich uitbreiden: Matteuccia struthiopteris (Struisvaren) en de inmiddels wel in elke bosrand aanwezige Lamiastrum galeobdolon cv. Florentinum (Bonte gele dovenetel).

Noten

  1. Op de Topkaart "Dolinger putten", Iven en Van Gerwen (1974) heeft "Dollinger putten".
  2. Dit is een pseudoniem. Het artikel in Nieuwsbrief Archeologie Kempen- en Peelland is onder zijn eigen naam verschenen.
  3. Netter is het om te zeggen dat het grondwater 'basenrijk' is, omdat naast calcium ook bijvoorbeeld magnesium aanwezig kan zijn.
  4. Volgens het Kiwa-onderzoek gaat het om Berula erecta (Kleine watereppe); ik meen ook in 2004 en 2005 Sium latifolium gezien te hebben.
  5. Op de kaart van 1897 zijn ook twee puntjes (bomen) in het zuidelijke deel getekend.
  6. Mond. med. B. Geit, maart 2005.

Dank
Ik bedank B. Geit, Gerrit van Eck en Willy Peters voor hun waardevolle bijdragen.

Tekening

Literatuur


Adres van de auteur
Thorbeckelaan 24
5694 CR Breugel
0499-473384
bruinsma@dse.nl
Terug naar Publicaties