Gras is om in te liggen, deel 95. januari
2006
Prijsvraag Atlas van de flora van eindhoven, oplossingen en uitslag. John Bruinsma.  


In het vorige Dubbelloof en op de website van de Floristische Werkgroep stond een prijsvraag. De vragen waren ontleend aan de binnenkort te verschijnen Atlas van de flora van Eindhoven. De vragen waren niet gemakkelijk en het aantal lezers dat zich tot inzending van een oplossing liet verleiden, is uiterst gering: twee. Hieronder de goede antwoorden met enige toelichting.

Vraag 1.
In de jaren '90 zijn de vijf algemeenste soorten in de regio Eindhoven:

a Akkerdistel, Schapenzuring, Grote brandnetel, Gewoon struisgras, Straatgras.

In de andere antwoorden zitten drie uiterst algemene soorten en twee die in ongeveer de helft van de hokken voorkomen. Dit zijn meest water- en moerasplanten, zoals Kattenstaart, Klein kroos en Kale jonker.


Vraag 2.
Het aantal soorten op de nieuwste standaardlijst van Nederland is 1490. Daarvan zijn er in de loop van de eeuw in de regio Eindhoven gevonden:

c precies 1000.

De overige getallen zijn fantasie. Deze 1000 soorten zijn wel inheems in Nederland, maar lang niet allemaal vinden wij inheems in de regio. Sommige zijn bij ons adventief of verwilderd. Enige voorbeelden: Allium ursinum (Daslook) is wild o.a. in Zuid-Limburg, bij ons verwilderd na aanplant; Anchusa officinalis (Gewone ossentong) is een duinplant die in onze regio adventief voor komt: alle plaatsen waar de plant gevonden werd liggen aan de rand van bebouwde kommen: ruderale terreinen, grondstort, industrieterreinen en dergelijke.


Vraag 3.
Sommige soorten die tussen 1930 en 1950 zijn gezien, zijn sindsdien zodanig afgenomen dat we ze op een lokale Rode lijst hebben geplaatst. Welke deel van de soorten van 1930-1950 is dat?

d Ongeveer de helft.

Van de 751 soorten die tussen 1920 en '50 zijn waargenomen, zijn er 352 zodanig achteruit gegaan, dat ze zijn opgenomen op de Rode lijst - lange termijn. Dat is 47%. Van die 352 zijn er 80 geheel verdwenen.


Parnassia palustris - Parnassia.
Fig. 1: Parnassia palustris - Parnassia.

Vraag 4.
Parnassia hebben we begin jaren '80 voor het laatst gezien: op de graslandjes van 't Spekt bij Nederwetten. In welk deel van de hokken is Parnassia gezien tussen 1930 en 1950?

d 15%

De overige getallen zijn fantasie. Wellicht is er geen betere illustratie van de veranderingen in de flora dan het verdwijnen van Parnassia uit eenzevende van alle hokken.


Vraag 5.
Er gaan niet alleen soorten achteruit. De flora verandert ook doordat er nieuwe soorten bijkomen en doordat soorten algemener worden. Welke soorten zijn door onze voorgangers tussen 1930 en 1950 nooit waargenomen en wl door ons sinds 1980 als wild of ingeburgerd genoteerd?

b Straatliefdegras, Springzaadveldkers, Bosrank, Deens lepelblad, Gehoornde klaverzuring
Bij a. waren wel correct: Bezemkruiskruid, Handjesgras, Beklierde basterdwederik. Lavendelhei is 4 keer genoteerd, Valse kamille in 30 % van de hokken.

Bij c. waren wel correct: Straatliefdegras Draadereprijs, Reuzenberenklauw. Slofhak 3,2%, Grote klit 4x.
Bij d. waren wel correct: Bezemkruiskruid, Tenger vetmuur, Kleine varkenskers. Stinkende ballote 4,6%, Kleine watereppe 6,7%


Vraag 6.
Welke van de volgende uitspraken is juist? a. Cipreswolfsmelk komt in onze regio niet voor / b. Cipreswolfsmelk verwildert in onze regio, vaak op begraafplaatsen / c. Cipreswolfsmelk breidt zich in onze regio uit als onkruid in akkerranden / d.Cipreswolfsmelk werd tussen 1930 en 1950 veel vaker gezien dan sinds 1980.

b Cipreswolfsmelk verwildert in onze regio, vaak op begraafplaatsen.

Hij verwildert trouwens ook wel elders, zoals langs spoorbanen en op bedrijventerreinen. Daar is Euphorbia esula (Heksenmelk) veel algemener.


Vraag 7.
De flora van de jaren '90 verschilt van die van de jaren '80. Sommige soorten verminderen of verdwijnen (achteruitgang), andere verschijnen nieuw of nemen toe (vooruitgang). Wat wordt in de atlas opgevoerd als de belangrijkste oorzaak van de vooruitgang?

c Verstedelijking, industrialisatie, aanleg van verkeerswegen, inclusief de aanleg van fietspaden in natuurgebieden, het uitbaggeren van kanalen, verandering in intensiteit van het transport over de kanalen, het oprui-men van overhoekjes, grootschalig weg- en ka-naal- bermonderhoud, grondtransport, verparking, het veranderen van vennen in vijvers.

Deze factoren, samen te vatten als 'verstedelijking en schaalvergroting' worden genoemd in 47% van de keren dat we de vooruitgang proberen te verklaren. Goede tweede met 29% is inburgering na relatief recente of toegenomen aanvoer of ontsnappen uit teelt of tuin. In 11% wordt genoemd 'zure neerslag', inclusief de vetmestende invloed van de landbouw op de wijdere omgeving, waaronder de verbraming/vergrassing/verzuring van de bossen. Inclusief de natuurlijke veroudering van onze - meest jonge bossen, waardoor de humuslaag en de beschikbaarheid van voedsel 'van nature' toeneemt. Deze factor wordt vaker genoemd als oorzaak van achteruitgang: 21%. In 7% wordt genoemd veranderingen in plantsoen en tuinonderhoud , alsmede maatregelen voor het onderhoud van wegen (bermbespuitingen, pekelen); recent het ook weer overgaan van spuiten of klepelen naar maaien en afvoeren. Ook verwaarlozing van onderhoud aan (kanaal-)bermen.


Vraag 8.
Vooral in de jaren '90 zijn nogal wat natuurherstelprogramma's uitgevoerd: beek-en venherstel, het afplaggen van heideterreinen en het afschrapen van de bovenlaag van voormalige landbouwterreinen. Dit zou kunnen leiden tot de toename van soorten die eerder achteruit gingen. Bij hoeveel soorten wordt 'natuurherstel' genoemd als oorzaak dat we hem in de jaren '90 vaker waarnemen dan in de jaren '80?

d 1

Alleen bij Witte waterranonkel denken we dat de recente geringe echte vooruitgang veroorzaakt wordt door natuurherstel, in dit geval venherstel. Overigens is zelfs deze ene dubieus omdat het grootste deel van de totale vooruitgang schijn is, namelijk het gevolg van vollediger onderzoek in de jaren '90 dan in de jaren '80. Blijkbaar is natuurherstel op zijn hoogst in evenwicht met achteruitgang elders in de regio.


Vraag 9.
De atlas meldt de achteruitgang van een aantal zeldzame soorten langs het Beatrixkanaal gedurende de laatste decennia. Langs het Beatrixkanaal kunnen namelijk de jaren '70, '80 en '90 met elkaar vergeleken worden. Wat is volgens de schrijvers de belangrijkste oorzaak van die achteruitgang?

b Achterwegenblijvend onderhoud aan de bermen.

Daardoor groeien open terreinen en grasvelden dicht met ruigtes en groeit hakhout uit zodat er veel meer schaduw komt. Onder andere zeldzaamheden als Bevertjes, Geelhartje, Welriekende nachtorchis, Bergdravik en Kruipbrem zijn er sterk achteruitgegaan of verdwenen. Langs de oever zijn veel soorten verloren gegaan toen begin jaren '90 het kanaal is uitgebaggerd en de bagger op de oever is gezet. Overigens zijn er ook soorten verloren gegaan door andere oorzaken, zoals bebouwing (Nederlandse Bank).


Vraag 10.
Ecotoopgroepen zijn groepen planten die op ongeveer dezelfde omstandigheden voorkomen. In grote lijnen worden ze ingedeeld in structuur (van pioniersituaties tot bos), voedselrijkdom (van zeer voedselarm tot zeer voedselrijk) en de aanwezigheid van water (van zeer droog tot zeer nat). De vraag gaat over de ecotoopgroep van Kruidenvegetaties op droge, zeer voedselrijke bodem. Tot deze groep behoren onder andere Bijvoet, Gewoon herderstasje, Melganzenvoet, Canadese fijnstraal, Zwarte nachtschade en Vogelmuur. Gaat deze soortengroep voor- of achteruit of is hij gelijk gebleven?

c De verspreiding van deze ecotoopgroep is in de loop van de eeuw gestaag toegenomen

De toename is van 53% voor 1950 naar 57% in de jaren '80 en 88% in de jaren '90. In de periode 1900-1950 was de verspreiding beperkt tot de steden, dorpen en de directe omgeving daarvan. Later kwam de combinatie overal voor met uitzondering van de grote heidevelden en de bossen die daarop zijn aangelegd.



De twee inzenders hadden 6 respectievelijk 2 vragen goed. Hetgeen betekent dat Edwin Dijkhuis de prijsvraag ruimschoots - en met een voldoende - gewonnen heeft. Edwin woont in Zuidlaren en is als florist vooral aktief in Groningen en landelijk in FLORON-verband. Hij is een jonge, hard lerende en inmiddels zeer deskundige florist. Hoe we de prijs - een geheel verzorgde excursie met de Floristische Werkgroep - gaan uitreiken, zullen we nog met hem overleggen. Ook de andere inzender is welkom op dinsdagavond!

De tekening is uit Weeda, E.J., R.Westra, Ch. Westra & T. Westra (1985). Nederland-se oecologische flora, deel 1. IVN, VARA en Vewin, Amsterdam.

Meer weten? Kijk op Atlas van de flora van Eindhoven van de 20e eeuw.

Adres van de auteur
Thorbeckelaan 24
5694 CR Breugel
bruinsma@dse.nl
Terug naar Publicaties