Gras is om in te liggen, deel 94. december
2005
Prijsvraag Atlas van de flora van eindhoven. John Bruinsma.  


Tragifolium fragiferum - Aarbeiklaver.
Fig. 1: Tragifolium fragiferum - Aarbeiklaver.
Deze soort is algemeen op zilte grond langs de kust, plaatselijk algemeen langs de grote rivieren. Voor 1950 is hij drie keer in de regio waargenomen en in 1999 een keer. Tekening uit Stella Ross-Craigh: Drawing of British Plants.
Komend voorjaar verschijnt de Atlas van de flora van Eindhoven van de twintigste eeuw. Elders in dit nummer valt te lezen hoe je dit boek kunt bemachtigen. Vr de verschijning schrijft de Floristische werkgroep een prijsvraag uit, zodat je je kennis over de flora van de regio kunt toetsen. De vragen houden alle verband met de inhoud van de atlas.

Eerst enige informatie vooraf, een beetje vereenvoudigd voorgesteld. De gegevens in de atlas zijn verzameld in een gebied van 625 km2, met als middelpunt station Eindhoven. Dit gebied is drie keer intensief onderzocht: tussen 1930 en '50, tussen 1989 en '89, en tussen 1990 en '99. De gegevens zijn per hok van 1 x 1 km verzameld: het gaat om de aan- of afwezigheid van een soort in een kilometerhok in een periode.
Nog even voor de duidelijkheid: met 'soorten' bedoelen we altijd soorten, ondersoorten en variteiten zoals die in flora's onderscheiden worden.

De opdracht van de puzzel is: streep het antwoord aan waarvan je denkt: "Dat zou het wel eens kunnen zijn."

Onder de inzenders van de minst foute oplossingen wordt de prijs van deze puzzel verloot: een geheel door de Floristische Werkgroep verzorgde excursie op een dinsdagavond tussen begin mei en eind augustus. Het preciese excursiedoel is nog onbekend en we verwachten onverwachte soorten.

Alle Dubbellooflezers mogen meedoen alsmede allen die deze puzzel op internet lezen. Leden van de Floristische werkgroep en hun huisgenoten zijn van deelname uitgesloten. Inzendingen kunnen voor 15 januari 2006 worden gestuurd aan:
John Bruinsma
Thorbeckelaan 24
5694 CR Breugel
bruinsma@dse.nl

Vraag 1. In de jaren '90 zijn de vijf algemeenste soorten in de regio Eindhoven:
  a Akkerdistel, Schapenzuring, Grote brandnetel, Gewoon struisgras, Straatgras
  b Vogelmuur, Kattenstaart, Klein hoefblad, Zomereik, Gewone braam
  c Gewone paardenbloem, Perzikkruid, Akkervergeet-mij-nietje, Pitrus, Klein kroos
  d Kale jonker, Canadese fijnstraal, Kruipende boterbloem, Gewone witbol, Late guldenroede


Vraag 2. Het aantal soorten op de nieuwste standaardlijst van Nederland is 1490. Daarvan zijn er in de loop van de eeuw in de regio Eindhoven gevonden:
  a 800
  b 900
  c 1000
  d 1100


Vraag 3. Sommige soorten die tussen 1930 en 1950 zijn gezien, zijn sindsdien zodanig afgenomen dat we ze op een lokale Rode lijst hebben geplaatst. Welke deel van de soorten van 1930-1950 is dat?
  a Ongeveer een vijfde
  b Ongeveer een kwart
  c Ongeveer een derde
  d Ongeveer de helft


Vraag 4. Parnassia hebben we begin jaren '80 voor het laatst gezien: op de graslandjes van 't Spekt bij Nederwetten. In welk deel van de hokken is Parnassia gezien tussen 1930 en 1950?
  a 1%
  b 5%
  c 10%
  d 15%


Vraag 5. Er gaan niet alleen soorten achteruit. De flora verandert ook doordat er nieuwe soorten bijkomen en doordat soorten algemener worden. Welke soorten zijn door onze voorgangers tussen 1930 en 1950 nooit waargenomen en wl door ons sinds 1980 als wild of ingeburgerd genoteerd?
  a Bezemkruiskruid, Handjesgras, Beklierde basterdwederik, Lavendelhei, Valse kamille
  b Straatliefdegras, Springzaadveldkers, Bosrank, Deens lepelblad, Gehoornde klaverzuring
  c Straatliefdegras, Slofhak, Draadereprijs, Reuzenberenklauw, Grote klit
  d Stinkende ballote, Bezemkruiskruid, Tenger vetmuur, Kleine varkenskers, Kleine watereppe


Vraag 6. Welke van de volgende uitspraken is juist?
  a Cipreswolfsmelk komt in onze regio niet voor
  b Cipreswolfsmelk verwildert in onze regio, vaak op begraafplaatsen
  c Cipreswolfsmelk breidt zich in onze regio uit als onkruid in akkerranden
  d Cipreswolfsmelk werd tussen 1930 en 1950 veel vaker gezien dan sinds 1980.


Vraag 7. De flora van de jaren '90 verschilt van die van de jaren '80. Sommige soorten verminderen of verdwijnen (achteruitgang), andere verschijnen nieuw of nemen toe (vooruitgang). Wat wordt in de atlas opgevoerd als de de belangrijkste oorzaak van de vooruitgang?
  a inburgering na relatief recente of toegenomen aanvoer of ontsnappen uit teelt of tuin
  b 'zure neerslag', inclusief de vermestende invloed van de landbouw op de wijdere omgeving, waaronder de verbraming/vergrassing/verzuring van de bossen. Inclusief de natuurlijke veroudering van onze - meest jonge bossen, waardoor de humuslaag en de beschikbaarheid van voedsel 'van nature' toeneemt
  c verstedelijking, industrialisatie, aanleg van verkeerswegen, inclusief de aanleg van fietspaden in natuurgebieden, het uitbaggeren van kanalen, verandering in intensiteit van het transport over de kanalen, het opruimen van overhoekjes, grootschalig weg- en kanaal- bermonderhoud, grondtransport, verparking, het veranderen van vennen in vijvers;
  d veranderingen in plantsoen en tuinonderhoud , alsmede maatregelen voor het onderhoud van wegen (bermbespuitingen, pekelen); recent het ook weer overgaan van spuiten of klepelen naar maaien en afvoeren. Ook verwaarlozing van onderhoud aan (kanaal-)bermen;


Vraag 8. Vooral in de jaren '90 zijn nogal wat natuurherstelprogramma's uitgevoerd: beek-en venherstel, het afplaggen van heideterreinen en het afschrapen van de bovenlaag van voormalige landbouwterreinen. Dit zou kunnen leiden tot de toename van soorten die eerder achteruit gingen. Bij hoeveel soorten wordt 'natuurherstel' genoemd als oorzaak dat we hem in de jaren '90 vaker waarnemen dan in de jaren '80?
  a 16
  b 11
  c 6
  d 1


Vraag 9. De atlas meldt de achteruitgang van een aantal zeldzame soorten langs het Beatrixkanaal gedurende de laatste decennia. Langs het Beatrixkanaal kunnen namelijk de jaren '70, '80 en '90 met elkaar vergeleken worden. Wat is volgens de schrijvers de belangrijkste oorzaak van die achteruitgang?
  a toegenomen recreatie
  b achterwegeblijvend onderhoud aan de bermen
  c zure regen
  d volbouwen van de oevers


Vraag 10. Ecotoopgroepen zijn groepen planten die op ongeveer dezelfde omstandigheden vookomen. In grote lijnen worden ze ingedeeld in structuur (van pioniersituaties tot bos), voedselrijkdom (van zeer voedselarm tot zeer voedselrijk) en de aanwezigheid van water (van zeer droog tot zeer nat). De vraag gaat over de ecotoopgroep van Kruidenvegetaties op droge, zeer voedselrijke bodem. Tot deze groep behoren onder andere Bijvoet, Gewoon herderstasje, Melganzenvoet, Canadese fijnstraal, Zwarte nachtschade en Vogelmuur. Gaat deze soortengroep voor- of achteruit of is hij gelijk gebleven?
  a De verspreiding van deze ecotoopgroep is in de loop van de eeuw ongeveer dezelfde gebleven.
  b De verspreiding is eerst toegenomen maar neemt van de jaren '80 op de jaren '90 weer af.
  c De verspreiding van deze ecotoopgroep is in de loop van de eeuw gestaag toegenomen.
  d De verspreiding van deze ecotoopgroep is in de loop van de eeuw gestaag afgenomen.



OVER DE INHOUD VAN DEZE PUZZEL KAN UITGEBREID WORDEN GECORRESPONDEERD!!!!!!

Terug naar Publicaties