Gras is om in te liggen, deel 88. september
2004
Bespreking van twee veldgidsen: voor water- en oeverplanten en voor de stad. John Bruinsma.  




Recent zijn twee veldgidsen geschreven voor planten. Per geluk vullen ze elkaar aan: in de veldgids voor de stad staan geen water- en oeverplanten.

Veldgids water- en oeverplanten
Dit is een zeer informatief boek over een floradeel dat vanwege standplaats en andere moeilijkheden nogal eens stiefmoederlijk wordt behandeld. Het bevat een enorme hoeveelheid taxonomische en ecologische kennis, die op systematische wijze wordt gepresenteerd. De hoofdstukken Ecologie, Plant-dier relaties, Beheer en Exoten zijn zeer heldere inleidingen, zij het vooral toegespitst op waterplanten. De titel: 'Water- en oeverplanten' wordt zeer breed opgevat: te determineren zijn hogere waterplanten, kranswieren, algen, en (water-)mossen evenals oevergrassen, -zeggen, -wilgen en wat er verder maar aan de waterkant wil groeien.
Doorgroeid fonteinkruid (Potamogeton perfoliatus)
Fig. 1. Potamogeton perfoliatus - Doorgroeid fonteinkruid, uit Pot 2003.
Geheel nieuw en gedurfd aan deze gids is, dat de tabellen zo lang mogelijk uit gaan van vegetatieve kenmerken. Daardoor is hij bruikbaarder dan wat dan ook. De soortbeschrijvingen zijn uitgebreid en heel goed. Voor het eerst zie ik in een boek een tekening van het stuifmeel van Callitriche cophocarpa – Gekield sterrenkroos. Missertje is dat dat van C. palustris – Klein sterrenkroos ontbreekt. Positief is ook dat kruisingen, zeldzame soorten en wachtkamersoorten –dat zijn soorten die binnenkort te verwachten zijn- (Cabomba caroliniana - Waterwaaier, Najas flexilis – Slank nimfkruid en vele andere) zijn opgenomen. Het voornaamste kritiekpunt is dat het boek te veel soortengroepen omvat, zodat elke groep onvoldoende tot zijn recht komt. Dat leidt tot tekst in kleine lettertjes, te weinig tekeningen en te klein afgedrukte tekeningen en foto's.
Wat betreft de afbeeldingen is mijn oordeel gemengd. Er zijn bijzonder goede tekeningen bij, waar je kunt zien dat de tekenaar goed is geïnformeerd over wat moest worden weergegeven. Daar staat tegenover dat waterplanten nogal plastisch zijn en oevervormen vaak verschillen van onderwatervormen. Eén foto of tekening kan al die vormen niet dekken. Bij voorbeeld bij de mossen zijn de foto's onbruikbaar voor de determinatie van de watervormen. Nog een voorbeeld: de foto van Callitriche obtusangula - Stomphoekig sterrenkroos (p. 61) geeft geen indruk van de verscheidenheid aan rozetvormen. In vergelijking met de tekeningen zijn veel foto's van matige kwaliteit en staan de voor determinatie benodigde kenmerken er niet duidelijk genoeg op. Maar de lezer is gewaarschuwd: "Het herkennen van planten aan de hand van een foto kan erg misleidend zijn, zeker als het waterplanten betreft." (p.9). Misschien is de misser wel dat gepoogd is de waterplanten in hun milieu te fotograferen, terwijl je voor het determineren de planten meestal in de hand hebt. Zouden foto's van planten in een foto-ontwikkelschaal informatiever zijn?
Droog oefenend vond ik in mij bekende groepen heel wat nieuwe kennis die de moeite waard is om uit te proberen. Daarnaast waren er heel weinig kenmerken waarover ik van mening zou willen verschillen. Enige voorbeelden. De nervatuur van Vallisneria spiralis - Vallisneria is niet baksteenvormig, maar meer onregelmatig als Sagittaria sagittifolia - Pijlkruid, in elk geval in het Eindhovens Kanaal. Carex hirta – Ruige zegge is, als hij heel nat staat, vrijwel niet behaard. Het onderscheiden van Carex disticha - Tweerijige zegge kan veel eenvoudiger dan in de tabel staat: het is de enige zegge waarvan het velumentum even stevig en groen is als de beide zijkanten van de bladschede. De auteur is knapper dan ik als hij in het veld het verschil tussen het open of het gesloten tongetje van Potamogeton pusillus en berchtoldii - Tenger en klein fonteinkruid kan zien. Bovendien denk ik dat bij P.berchtoldii de luchtkamers niet langs, maar in de middennerf liggen en dat de middennerf van berchtoldii juist heel breed is, waardoor p.80 vraag 17 niet goed gaat (Dit gaat trouwens met vrijwel geen enkele flora goed). Of het determineren van het lastige trio Potamogeton natans, polygonifolius en nodosus - Drijvend, Duizendknoop- en Rivierfonteinkruid altijd goed uitkomt, waag ik te betwijfelen: de sleutel is te summier. Wél staan allerlei nuttige details in de soortbeschrijvingen. Ik verschil ook van mening met de auteur dat Lemna minuta - Dwergkroos dezelfde ecologische positie inneemt als L. gibba Bultkroos (p. 26). Lemna minuta is volgens mij schaduwtolerant en overwintert aan het oppervlak, L.gibba beide niet.

Een zo'n groep die wel weggelaten had mogen worden, zijn de kranswieren. Er is een handzame NJN-uitgave met een volledige tabel en uitstekende tekeningen. De tabel in de Veldgids is eenvoudiger en daardoor ga je met lastige exemplaren (bijv. ongestekelde vormen van Chara aspera) de mist in.

Bijzonder positief vond ik de open opstelling van de auteur tijdens het schrijven. Ieder die het wilde, kon het halfprodukt raadplegen en van commentaar voorzien. En ook nu staat hij volop open voor verbeteringen. Iedereen kan zijn opmerkingen kwijt op www.waterplanten.info. Daar staan ook de rectificaties.

Samenvattend: Roelf Pot heeft een breed opgezet boek geschreven dat water- en oeverplanten toegankelijk maakt. Nogmaals: bruikbaarder dan wat dan ook. Het bevat een schat aan goed geordende detailinformatie die in allerlei grijze tabellen of alleen in de hoofden van specialisten bestond. Goed bruikbaar voor de beginner; de gevorderde zal er een massa nieuws in vinden. En nu: organiseer cursussen met dit boek, ga op waterplantenexcursie. Wie organiseert een kennisnetwerk zodat determinaties gecontroleerd worden? En vooral: koop dit boek, opdat er snel een verbeterde versie kome: óf huiskamer-handboekformaat óf meerdere (veld-)gidsen voor afzonderlijke groepen. Te beginnen met de groepen waar nu te weinig voor is.

Stadsplanten, veldgids voor de stad
In de veldgids voor de stad worden zo'n 700 planten besproken waarvan het zwaartepunt van de verspreiding in de stad ligt. Het is een pleidooi voor meer aandacht voor de 'nieuwe' natuur in de stad, achtergrondinformatie over hoe en waarom de stad voor planten een eigen milieu is, het beschrijft de soorten met daarbij een meestal zeer goede foto en geeft in 18 steden routes met de bijbehorende soorten. Te determineren valt er met dit boek niet, wel vallen er ideeën op te doen welke soort het wellicht zou kunnen zijn. En dat is nuttig genoeg: de herkomst van de planten is niet altijd duidelijk en daarmee wordt onzeker welk boek je moet openslaan om een naam te vinden. Een standaardflora zoals Van der Meijdens Heukels' verschijnt gewoon niet vaak genoeg om de veranderingen bij te kunnen benen: in de nieuwe druk zullen 150 nieuwe soorten worden opgenomen, pakweg 10%.

Het pleidooi om meer naar stadsnatuur te kijken, is aan de Floristische Werkgroep eigenlijk niet besteed: we doen bijna niet anders dan kijken in stad en stadsrand. Dat is heel anders dan de gemiddelde KNNV-er zich door Nederland beweegt. KNNV-excursies gaan vooral naar restanten van het agrarische landschap van voor 1950, zoals heidevelden (Strabrechtse heide), hakhoutbossen (Ruweeuwsels), schrale beekdalgraslanden en rietlanden (Urkhovense Zeggen). De Eindhovense Stichting Stadsnatuur kijkt niet naar wat stadsnatuur is, meer naar wat het zou kunnen worden, bijvoorbeeld door poelengraverij.

De theorie over de stadsnatuur is bloeiend. Ton Denters behandelt vragen als: waarin is het stadsklimaat anders dan de omgeving, waar komen de planten vandaan, wat zijn de immigratiewegen, hoe snel gaat immigratie, zijn er verschillende stadsbiotopen waar verschillende soorten groeien?
Tongvaren, uit Denters 2004. (Asplenium scolopendrium)
Fig. 2. Asplenium scolopendrium - Tongvaren, uit Denters 2004.
Er blijken –ook binnen zo'n klein landje als Nederland – verschillen te zijn tussen de steden, bijvoorbeeld in ouderdom, hoeveelheid water, klimaat, aanvoerwegen en onderhoudsmethoden. Wat ik mis of over het hoofd gezien heb, is dat de grondsoort van steden die op klei en veen zijn gebouwd, en dat is in heel West- en Noord-Nederland maar ook een rivierstad als 's-Hertogenbosch, grotendeels verschilt van de omgeving. De steden en in elk geval alle wegen, trottoirs en pleinen zijn gebouwd op zand en dat verklaart wellicht dat de schrijver sommige soorten 'stadssoorten' noemt die in onze regio net zo goed of zelfs meer buitenaf voorkomen, zoals Cardamine hirsuta – Kleine veldkers, Spergularia rubra – Rode schijnspurrie, Arabidopsis thaliana - Zandraket en Gnaphalium uliginosum - Moerasdroogbloem.

Er worden in Stadsplanten heel wat soorten besproken die nog niet in een flora te vinden zijn. Voor het grootste deel zijn het tuinplanten die voor zichzelf begonnen zijn, zoals Campanula – Klokjessoorten. Voor een ander deel zijn het adventieven uit andere werelddelen die zich in de stadse omgeving thuis voelen (klimaat, substraat, verstoringregime) en zich zelfstandig verspreiden, zoals Euphorbia maculata – Straatwolfsmelk en twee Conyza – Fijnstraalsoorten. Ook zijn er Zuideuropese soorten die aan een opmars naar het noorden bezig zijn, zoals Anisantha madritensis - Spaanse dravik en Rostraria cristata - Klein fakkelgras. À propos de laatste: hebben we die in Eindhoven tot heden over het hoofd gezien en verkeerd benoemd als Koeleria macrantha- Smal fakkelgras? Leve het herbarium!

Bij elke soort worden herkomst, periode van binnenkomst, mate van voorkomen, standplaatseisen en dergelijke besproken. Bij vele soorten wordt aangegeven met welke andere hij eventueel te verwarren is. Soms is de keuze van de soorten verrassend Cardamine pratensis – Pinksterbloem!, met als argument dat hij het in gazons beter doet dan in de intensieve landbouw. Stellaria pallida – Bleke vogelmuur is, denk ik, niet alleen een stadssoort op (aangevoerd) zand (massaal bijvoorbeeld Eindhoven, Den Bosch, Nijmegen), maar een soort die ook in alle dorpen in pleistoceen Nederland te vinden is. Dat brengt je op de gedachte waar de stad ophoudt en dorp of platteland begint. Het kaartje met het Urbaan (=stedelijk) district maakt de hele regio Eindhoven-Helmond inclusief om- en tussenliggende dorpen tot één grote stad. En zo is er bij menige soort iets te leren, te bepeinzen of te betwijfelen, heerlijk.
In een apart hoofdstuk worden de stinsenplanten besproken: oude en nieuwe voorjaarsbloeiers, meest op landgoederen, tuinen van rijke lui en dergelijke, tegenwoordig ook vaak in het openbaar groen en in de tuin van u en mij.

Bijna een kwart van het boek wordt besteed aan de 18 stadswandelingen. In de Eindhovense onder meer aandacht voor Asplenium foreziense - Forez-streepvaren, Montia fontana var. chondrosperma – Klein bronkruid en Portulaca oleracea – Postelein, soorten die onze werkgroepleden niet vreemd in de oren zullen klinken.

Op Stadsplanten is een vormgever stevig aan de gang gegaan. Met tekens en kleuren wordt tekst geordend en ingekort. Dat is te prijzen, behalve dan dat niet alle kleurenblinden er blij mee zullen zijn. Minder te loven is dat een 'gewone' inhoudsopgave ontbreekt, waardoor het nogal zoeken is in de inleidende hoofdstukken en naar de stadswandelingen. Jammer is ook dat een literatuuropgave ontbreekt en dat er geen wetenschappelijke namen zijn bij de stinsenplanten en bij een aantal recente soorten – meest grassen. In het boek heb je alleen een plaatje en nu wil je verder! Met een wetenschappelijke naam worden plots meer bronnen toegankelijk, niet in de laatste plaats het internet.

Stadsplanten is een boek zonder gezeur over de achteruitgang van de natuur (behalve dan dat de muurflora doorlopend bedreigd wordt). Stadsplanten gaat over de natuur van de toekomst: het beschrijft, geeft inzicht in de achterliggende processen en straalt het plezier van schrijver uit. Dat een heel stadsmilieu, water in de Nederlandse steden! en de bijbehorende stadswaterplanten worden overgeslagen, is tenminste opmerkenswaardig. Gemist wordt zo onder meer: een nieuwe kroossoort Lemna turionifera – Rood eendenkroos onder andere in Rotterdam en Eindhoven; Najas minor – Klein nimfkruid groeit alleen in Eindhoven; in de ondiepe stadsgrachten in Delft staan grote aantallen Nuphar lutea – Gele plomp, in de Utrechtse stadsgrachten valt de Sparganium emersum – Kleine egelskop op . En dan zijn er al die overtollige vijverplanten: Pistia stratiotes – Watersla, Hydrocotyle ranunculoides – Grote waternavel, Myriophyllum aquaticum – Parelvederkruid enzovoort. Troost moge zijn dat ze in elk geval in de Veldgids water- en oeverplanten zijn op te zoeken.
Voor wie door Stadsplanten gegrepen wordt, ligt een opwekking voor de hand: de Floristische Werkgroep doet bijna niet anders.

Adres van de auteur
Thorbeckelaan 24; 5694 CR Breugel, 0499-473384; bruinsma@dse.nl
Terug naar Publicaties