Gras is om in te liggen, deel 87. mei
2004
Bosaardbei en Schijnaardbei (Fragaria vesca en Potentilla indica). Remko Andeweg.  

Dit artikel is overgenomen uit 'Natuurlijk Rotterdam', jaargang 5 nummer 1, februari 2004. Natuurlijk Rotterdam is de nieuwsbrief van bureau Stadsnatuur Rotterdam (bSR). Remko Andeweg is medewerker van dit bureau en ook kennen we Remko al heel lang als actief lid van de landelijke Grassenwerkgroep van de KNNV. bureau Stadsnatuur Rotterdam is een ecologisch adviesbureau dat deel uitmaakt van het Natuurmuseum Rotterdam. Het bureau werkt nauw samen met vrijwilligers die kennis verzamelen over de stadsnatuur. Het organiseert bij voorbeeld cursussen voor inventarisatiemedewerkers en geeft een nieuwsbrief uit.
Het artikel is verschenen in de vaste rubriek ‘Portret’, "waarin soorten worden uitgelicht en voorgesteld die extra aandacht verdienen omdat ze onbekend of onbemind zijn, soorten waarvan de verspreiding in Rotterdam slecht bekend is en soorten die makkelijk met elkaar verwisseld kunnen worden". Dergelijke overwegingen kent Gras is om in te liggen ook. Bosaardbei en Schijnaardbei komen ook in onze regio voor en zijn ook hier aanleiding tot verwarring.


Als je sommige mensen mag geloven dan groeien er in de meeste Rotterdamse parken Bosaardbeien. Dat zou leuk zijn, want Bosaardbeien zijn lekker. Helaas is dat allemaal schijn; Schijnaardbei om precies te zijn. Daarom hier een stukje over het onderscheid tussen die twee.


De Bosaardbei (Fragaria vesca)
Fig. 1: De Bosaardbei (Fragaria vesca). De bloeiende plant is gemakkelijk te herkennen aan de witte kroonbladeren.
(foto G. v.d. Voet).
De Bosaardbei (Fragaria vesca) is inheems in noordelijk en gematigd Eurazië. Zuidelijk reikt het areaal van deze plant tot de Middellandse zee en de Zwarte zee, oostelijk tot aan het Baikalmeer. In Oost-Azië en Japan is de Bosaardbei ingevoerd, net als in heel Amerika. In Nederland komt Bosaardbei voornamelijk voor in bossen in Zuid-Limburg en het Duingebied. In de directe omgeving van Rotterdam is de plant van nature zeldzaam.

Bosaardbeien worden al sinds de oudheid gegeten en in het wild geplukt. Rond de 14e eeuw verhuisde de plant ook naar de moestuin maar toch vormde hij daar niet de oorsprong van onze hedendaagse cultuuraardbeien. Dat zijn grotendeels variëteiten van de Tuinaardbei (Fragaria x ananassa), een soort die is ontstaan uit een kruising tussen respectievelijk een Noord- en een Zuid-Amerikaanse aardbei.

De Schijnaardbei (Potentilla indica) is van Aziatische oorsprong. Zijn areaal begint ongeveer waar dat van de Bosaardbei ophoudt en loopt grofweg van Afghanistan tot in Japan. Van daaruit is de plant als sierplant ingevoerd in Amerika, Afrika en Europa waar hij ten zuiden van de Alpen al in de 19de eeuw algemeen verwilderd voorkwam.
Hoewel de Schijnaardbei momenteel als Potentilla, een Ganzerik dus, in de Nederlandse flora staat is hij bekender onder de naam Duchesnea indica. Het geslacht Duchesnea is genoemd naar de Franse botanicus Duchesne die in de 18e eeuw in Versailles ontdekte dat verschillende aardbeisoorten te kruisen zijn en die de producten van die kruisingen, waaruit ook onze huidige Tuinaardbeien zouden ontstaan, introduceerde in de tuinen en op het bord van Lodewijk XV.
Eddy Weeda legt in deel 2 van zijn Ecologische Flora uit dat er niet voldoende rechtvaardiging is om Duchesnea als afzonderlijk geslacht te onderscheiden (net als de Wateraardbei (Potentilla palustris) die in de Nederlandse Flora’s al eerder onder de Ganzerikken werd geschaard) en dat al deze soorten eigenlijk als aardbeien zouden moeten worden beschouwd. (Het wachten is nu op een volgende systematicus die dit hele grote geslacht vervolgens weer uiteen laat spatten.)
Hoe dan ook, Aardbei, Ganzerik of Duchesnea, de Schijnaardbei dankt zijn Nederlandse naam in ieder geval aan zijn helderrode sappig vlezige vruchten die inderdaad sprekend op wat ronde aardbeien lijken maar die bij proeven een flauwe smakeloze hap blijken te zijn. (Wat dat betreft vertonen zij dus een sterke overeenkomst met Tuinaardbeien die men ons vandaag de dag, ver buiten het seizoen, probeert te verkopen.)
De Schijnaardbei (Potentilla indica)
Fig. 2: De Schijnaardbei (Potentilla indica). De bloeiende plant onderscheidt zich van de Bosaardbei door de gele kroonbladen. De blaadjes van de bijkelk (zie pijltjes) zijn opvallend groot en gespleten.
(foto T. Denters).
Wie wat beter kijkt hoeft echter niet te gaan proeven om het verschil te zien tussen de Bosaardbei en de Schijnaardbei. Voor wie niet kleurenblind is gaat dat het allermakkelijkst in de bloeitijd, die zich bij de schijnaardbei uitstrekt over het grootste deel van de zomer en bij de Bosaardbei valt in de voorzomer en soms ook nog in het najaar. Bosaardbei bloeit wit terwijl Schijnaardbei gele bloemen heeft die lijken op die van de verwante soorten Zilverschoon (Potentilla anserina) of Vijfvingerkruid (Potentilla reptans) (het is zelfs mogelijk om Schijnaardbei en Vijfvingerkruid kunstmatig met elkaar te laten kruisen). Vanaf het moment dat de eerste knoppen verschijnen tot zelfs na het vergaan van de vruchten tonen de soorten nog een ander, minstens zo opvallend verschil in de vorm van de zogenaamde bijkelk. Die bijkelk moet even worden uitgelegd: wie het groene "kroontje" van een aardbei beter bekijkt ziet dat die bestaat uit tien kleine min of meer gelijke groene blaadjes die in twee kransen van vijf boven elkaar zitten. Officieel vormen alleen de vijf blaadjes die het dichtst bij de aardbei staan de kelk, het daaronder gelegen vijftal noemt men de bijkelk. Bij de schijnaardbei zijn de blaadjes van die bijkelk ettelijke malen breder dan die van de kelk en lopen zij uit in een brede top met meerdere punten. Als gevolg hiervan liggen bij de Schijnaardbei zowel de bloemknop als de bloem en later de vrucht op een ruim buiten de bloem of vrucht stekend groen schoteltje. Dit kenmerk is zo duidelijk dat je er niet eens voor hoeft te bukken. Mochten er helemaal geen bloemen of vruchten aanwezig zijn dan is er tenslotte nog een ander kenmerk waaraan je de twee soorten kunt onderscheiden. Beide planten vormen via uitlopers "wandelende" vegetatiematten maar doen dat op een verschillende manier. De uitlopers van de Bosaardbei zijn bruin van kleur, draaddun en strekken zich over een flinke lengte uit voordat zij wortelen en een nieuwe plant laten ontstaan. De uitlopers van Schijnaardbei zijn daarentegen kort, dik en groen van kleur. Bosaardbei vlecht zich zodoende door de omringende vegetatie terwijl Schijnaardbei meer als een dichte mat voortrolt.
In tuinomstandigheden blijkt deze laatste groeistrategie een stuk efficiënter te zijn dan de eerste want waar de twee soorten samenkomen wint Schijnaardbei altijd, en niet alleen van andere aardbeien. Vandaar dat Schijnaardbeien via weggeworpen tuinafval overal in het Rotterdamse groen voet aan de grond hebben gekregen.

Van Bosaardbeien in Rotterdam weten wij eigenlijk alleen dat er halverwege de jaren tachtig een aantal is uitgeplant in het Park De Twee Heuvels in IJsselmonde, maar van die planten is nadien niets meer vernomen. [Remko meldde dat na hij na verschijnen van het artikel al enige telefoontjes had gehad van mensen die aardbeien met witte bloemen in Rotterdam en omgeving hadden gezien]

Nawoord John Bruinsma. In de Atlas van de flora van Eindhoven (jaren '80) wordt Fragaria vesca 'vrij zeldzaam' genoemd en komt Potentilla indica helemaal niet voor. Inmiddels is de stand van zaken in Oost-Brabant (Floron-district 19) 1989-2003: Fragaria vesca zeldzaam en Potentilla indica vrij zeldzaam.
Vorig najaar vonden we een aantal keren, gelukkig alleen nog in tuinen, een roze bloeiende aardbei die in november nog volop bloeide. Als de tekenen niet bedriegen, is dit Fragaria 'Pink Panda', een recent (1966) gemaakte en in 1989 in de handel gebrachte kruising tussen F. x ananassa, de tuinaardbei, en Potentilla palustris (Moerasaardbei). Ongetwijfeld een om in de toekomst buiten rekening mee te houden.

Literatuur


Terug naar Publicaties