Gras is om in te liggen, deel 84. november
2003
Wat vind ik in de tuin ...? Fred Lambert.  


Tijdens mijn jeugd in Zeeuws-Vlaanderen werd bovenstaande vraag natuurlijk beantwoord met: Tuinbingelkruid en Tuinwolfsmelk. In de Kempen zijn deze kruiden een stuk zeldzamer dan in het zeekleigebied. Er zijn een aantal redenen om wat nader kennis te maken met beide plantjes.

Tuinbingelkruid (Mercurialis annua).
Een interessante discussie vindt plaats over de verandering van onze flora ten gevolge van het versterkte broeikaseffect en de daarmee gepaard gaande klimaatsverandering, die het areaal van zuidelijke soorten wellicht zou kunnen doen uitbreiden in noordelijke richting. Daarnaast zouden het aantal meldingen van warmteminnende soorten ook binnen het gesloten areaal kunnen toenemen. Floristen kunnen aan de kennis hieromtrent bijdragen. Tuinbingelkruid is een van de soorten die we in dit verband eens kritisch kunnen bekijken, aangezien het een van de weinige plantensoorten is, waarvan het areaal dwars door ons Nederland loopt.

Figuur 1. Areaal van Mercurialis annua.

De soort komt in Nederland vooral voor in holocene gebieden, zoals kleistreken en het rivierengebied, en daarnaast in het lŲssgebied en Zuid-Limburg. We vinden de soort slechts in de zuidelijke helft van het land, inclusief het rivierkleigebied. In de noordelijke helft van Nederland is het areaal beperkt tot de IJsselvallei. Flora's als die van Drenthe en Groot Amsterdam vermelden de soort niet of incidenteel. Buiten Nederland loopt de grens van het aaneengesloten areaal vrijwel recht naar het oosten, tot in Polen en Europees Rusland, waarna ze in zuidelijke richting afbuigt en om de Middellandse Zee heen weer in westelijke richting loopt, daarmee ook de kust van Noord-Afrika omvattend. Ten noorden van dit areaal worden enkele incidentele vondsten gemeld, tot aan de Noorse en Zweedse zuidkust toe. Daarnaast werd de soort incidenteel gemeld vanuit Noord-Amerika. Het voorkomen in Oost-Europa doet vermoeden dat Tuinbingelkruid niet gevoelig is voor (zeer) strenge winters.

Volgens de Oecologische Flora is de soort afkomstig uit het Middellandse Zeegebied en werd de verspreiding ervan door de mens bevorderd. Aan de plant werden geneeskrachtige eigenschappen, namelijk als laxeermiddel, toebedacht. Hoewel deze eigenschappen tegenwoordig in twijfel worden getrokken, zullen ze bijgedragen hebben aan de opzettelijke verspreiding door de mens in vroeger tijden. De plant zou enigszins giftig zijn, doch na gekookt te zijn konden de bladeren als groente worden genuttigd. De Romeinen zouden reeds een rol in de verspreiding van de plant hebben gespeeld. Daarnaast zal de plant ook in Middeleeuwse kloostertuinen en dergelijke niet hebben ontbroken. In dit verband meldt de Oecologische Flora dat de natuurlijke verbreiding van de soort langzaam verloopt, vooral door haar tweehuizigheid.

Als biotoop wordt genoemd: ''Op bouwland, in moestuinen, ook op braakland; op vruchtbare grond" (Heukels, 21e druk). In de 22e druk is dit nader gespecificeerd als volgt: "Op open, voedselrijke, kalkhoudende grond in akkers, moestuinen en langs muren". De Flora van Heimans en Thijsse (26e druk) beperkt zich tot: ''Aan heggen, in moestuinen en op bouwland". De Flora van BelgiŽ (VanHecke, 1988) spreekt van "Tuinen, bouw- en moesland, onbebouwde plaatsen (waarmee wellicht braakliggende omgewerkte grond in akkers en tuinen wordt bedoeld, FL)". De Flora van BelgiŽ noemt de soort ook thermofiel, dus een liefhebber van zonnige standplaatsen. De recente omschrijving van Heukels komt goed overeen met waar wij de soort vinden, zij het dat we Tuinbingelkruid zelden als akkeronkruid aantreffen, aan heggen overigens ook niet. Wel vinden we Tuinbingelkruid vooral in oude moestuinen en op muren. Het muurtje van de voormalige kloostertuin te Gemert is een fraai voorbeeld hiervan. Niet Stinkende gouwe, doch Muurleeuwenbek (Cymbalaria muralis) en Beklierde bastaardwederik (Epilobium ciliatum) zijn soorten waarmee Tuinbingelkruid daar samen wordt aangetroffen. De Atlas van de Eindhovense flora geeft als standplaatsen op: "ruderale plaatsen, plantsoenen, in en langs tuintjes, op kerkhoven, aan akkerranden, wegbermen en kanaaloevers; vrijwel altijd op leem". Ruim de helft van de vindplaatsen was gesitueerd in de kom van Eindhoven. Het leem zorgt voor een relatief vochtig milieu, waar Tuinbingelkruid bij gebaat is.

Uitgebreid is de Nederlandse Oecologische Flora, die Tuinbingelkruid omschrijft als 'een plant van stikstofrijke, vaak enigszins ammoniakhoudende, niet te droge, eventueel licht beschaduwde plaatsen op omgewerkte zandige klei, leem, lŲss en voedselrijk zand. In bietenakkers in het zuiden van het land is het in toenemende mate een lastig onkruid (...) Ook in moestuinen kan het op de voorgrond treden (...) Verder groeit Tuinbingelkruid nogal eens in ruigten aan de voet van muren'.

Met deze vindplaatsomschrijvingen kunnen we het eens zijn, afgezien van de bietenakkers, die in onze regio niet of nauwelijks te vinden zijn. Tuinbingelkruid staat in onze regio zeker niet als een 'in toenemende mate lastig onkruid' te boek. Buiten de bebouwde kom wordt Tuinbingelkruid door ons nauwelijks aangetroffen. In akkers vinden we de soort nauwelijks. We achten Tuinbingelkruid vooral aanwezig in het urbane district. Daarbij moeten we aantekenen dat Tuinbingelkruid in het urbane district van Noord-Nederland nauwelijks voorkomt. De Atlas van de Flora van de regio Amsterdam komt bijvoorbeeld met twee kilometerhokken in de Amsterdamse binnenstad en ťťn op Marken. Omtrent de stabiliteit van deze vindplaatsen wordt geen melding gemaakt.

Wij vinden Tuinbingelkruid in ons district vaak als een aangevoerde plant. In het algemeen is de plant dan inderdaad niet lang standhoudend. Voorbeelden hiervan zijn: Te Eindhoven na grondwerkzaamheden op het Universiteitsterrein, te Nuenen op drie plaatsen: bij een stortplaats van tuinafval bij de Diaconessentuin, een moestuin dus; bij een tuintje in de bebouwde kom in de Mgr. Cuytenstraat, waar vermoedelijk met kalkrijke specie gemetseld is; aan een sloottalud bij een boerenerf aan de Boordseweg. Bij Venhorst, in de Peel, werd Tuinbingelkruid aangetroffen bij een pasgebouwde woning. Al deze vindplaatsen hielden hooguit enkele jaren stand. De mens, die de planten waarschijnlijk onbewust had aangevoerd, verwijderde deze ook weer snel. Tuinbingelkruid, een cultuurvolger, heeft dus tevens sterk te lijden onder door de mens veroorzaakte dynamiek, althans in het Pleistoceen. Dit leidt er toe dat de waarnemingen die door ons worden verricht een sterk cumulatief effect vertonen.

Vergeleken met de Atlassen van de Nederlandse en Brabantse flora, ging Tuinbingelkruid achteruit: in de Atlas van de Eindhovense flora (1980-1989) komt het in 19 kilometerhokken voor, overeenkomend met 7 uurhokken, tegen 21 in de eerdergenoemde Atlassen. We nemen aan, dat deze achteruitgang niet reŽel is. We achten onze waarnemingen betrouwbaarder. In dit geval is de soort 'minder algemeen'.

De ontwikkeling van het aantal vindplaatsen in Atlasgebied en district vinden we in tabel 1. De aantallen zijn relatief. Het aantal onderzochte hokken in het Atlasgebied neemt toe tot 625, dat van het disctrict (inclusief Atlasgebied) tot 1437, wat ongeveer twee derde deel van het district omvat. De getallen tussen haakjes geven de frequentieklasse aan, waarbij 5 staat voor minder algemeen, en 6 voor vrij algemeen.

Tabel 1. Aantal kilometerhokken waar Tuinbingelkruid werd aangetroffen.
Jaar Atlasgebied District
1980-1989
1992
1993
1994
1995
1996
1997
1998
1999
2000
2001
2002
19 (5)
35 (6)
41 (6)
48 (6)
57 (6)
60 (6)
61 (6)
67 (6)



75
-
39 (6)
45 (5)
55 (5)
67 (5)
71 (5)
72 (5)
78 (5)
83 (5)
93 (5)
102 (5)
104 (5)

Tuinbingelkruid is dus 'minder algemeen' in het district Brabant-Midden. In het Atlasgebied is de soort 'vrij algemeen', wat voornamelijk komt door het grote aandeel van het Urbane district in dit gebied.

Geheel anders is het gesteld in Zeeuws-Vlaanderen, waar Tuinbingelkruid een betrekkelijk gewoon tuinonkruid is, en in Zuid-Limburg, waar de soort eveneens op bietenakkers is te vinden. De kalkrijke grond zal hier de doorslag geven. In zuidelijker streken wordt de soort algemener. De Flora van BelgiŽ noemt de soort zeer algemeen (AA), met uitzondering van het (Pleistocene) Kempens district en het Ardens district (Leisteen), waar de soort als zeldzaam (Z) te boek staat.

Deze flora kent zes frequentieklassen, namelijk AA, A, VA, VZ, Z, en ZZ.

De Nederlandse Heukels-flora noemt de soort vrij algemeen in het Zuidlimburgs, het Kempisch, en het Fluviatiel district, en in het aangrenzend Gelders-, Estuarium- en Urbaan district, alsmede zeer zeldzaam in het Laagveendistrict en het Drents district. Deze frequentieklassificatie klopt niet helemaal. We vinden de soort in het Kempisch district slechts sporadisch. Slechts in het Urbane district is de soort wat minder zeldzaam. Dit betreft dan vooral de kommen van Eindhoven en Helmond. Bovendien treedt er, zoals gezegd, een cumulatie-effect op. De vermelding in de Nederlandse flora's met betrekking tot het voorkomen in het Kempisch district verdient het om bijgesteld en genuanceerd te worden. Tuinbingelkruid is er niet algemeen, en buiten het urbane gebied zelfs zeldzaam. Kenmerkend voor het Kempisch district, zoals de 21ste druk van de Heukels flora (blz. 20) meldt, is de soort zeker niet.

Uit onze waarnemingen blijkt dat de soort in onze regio niet vooruitgaat, althans niet meetbaar, maar stabiel blijft. Het areaal aan geschikte plaatsen zal, met de toenemende verstedelijking, wellicht geleidelijk toenemen. Dit zal echter langzaam gaan, aangezien Tuinbingelkruid toch vooral in wat oudere wijken voorkomt.

Mijn eigen waarnemingen in Zaanstad tonen aan dat, hoewel de biotoop zeer geschikt lijkt te zijn, Tuinbingelkruid in het geheel niet te vinden is.

Conclusies:
  1. Hoewel de noordgrens van het aaneengesloten areaal van Tuinbingelkruid van west naar oost door Nederland loopt, zijn er geen aanwijzingen dat het in noordwaartse richting opschuift. De lichthoeveelheid, niet de wintertemperatuur, zou bepalend kunnen zijn voor de noordgrens van het aaneengesloten areaal.
  2. Binnen het Kempisch district neemt Tuinbingelkruid niet of nauwelijks toe. Vele waarnemingen van Tuinbingelkruid blijken instabiele vindplaatsen te betreffen, betrekking hebbend op aangevoerde exemplaren.
  3. In de landelijke flora's wordt de frequentieklasse van Tuinbingelkruid als te hoog opgegeven voor het Kempisch district, waar de soort niet tot de akkerflora behoort, maar voornamelijk in het Urbane district optreedt.

Tuinwolfsmelk (Euphorbia peplus)

Waar Tuinbingelkruid voorkomt, vinden we vaak ook Tuinwolfsmelk (Euphorbia peplus). Beide soorten behoren niet alleen tot dezelfde familie, maar ze gedijen ook in vergelijkbare biotopen, met name in tuinen in kalkrijke omgevingen, vooral op klei. Tuinwolfsmelk komt in het gehele land voor, met uitzondering van de pleistocene gebieden in Drenthe, Overijssel en Gelderland. Na 1950 is het areaal van de soort toegenomen. Hoewel dit voor een deel op waarnemings-effecten zou kunnen berusten, doordat meer bebouwde kommen worden geÔnventariseerd, menen we voor Tuinwolfsmelk een reŽle uitbreiding te constateren. De soort wordt ook in recent aangelegde nieuwbouwwijken in omgewerkte tuinen gevonden. De auteur vond, tijdens het schrijven van dit artikel, twee nieuwe vindplaatsen: langs een stoeprand van de Weverstraat in de kom te Nuenen, en ten westen van Boord, in een berm, niet ver van kwekerij Walburg, ver buiten de bebouwde kom, tezamen met onder meer Straatliefdesgras (Eragrostis pilosa).

Tuinwolfsmelk blijkt zich uit te breiden in het gehele district, wat in de volgende tabel tot uiting komt. We zien dat het aandeel van het Atlasgebied aan het totaal veel bescheidener is dan bij Tuinbingelkruid.

Hoewel Tuinwolfsmelk een gelijksoortige, maar beperkter, biotoop kent dan Tuinbingelkruid, volgens Heukels 'Op open, vochtige, voedselrijke grond in tuinen en akkers, op kerkhoven en langs heggen', zien we de soort steeds vaker optreden, met name op omgewerkte grond in tuinen, bosplantsoenen en langs stoepranden. Met klimaatsveranderingen heeft deze toename niets te maken. In hoeverre de vindplaatsen stabiel zijn, zou nog nader onderzocht moeten worden.

Ter vergelijking: In de kommen van de dorpen die de gemeente Zaanstad vormen, komt Tuinwolfsmelk zeer algemeen voor, en is het in vrijwel alle tuinen te vinden. Vaak betreft het hier met duinzand opgespoten terreinen. Tuinbingelkruid is op deze locatie nimmer aangetroffen.

 

Tabel 2. Aantal kilometerhokken waar Tuinwolfsmelk werd aangetroffen.
Jaar Atlasgebied District
1980-1989
1992
1993
1994
1995
1996
1997
1998
1999
2000
2001
2002
7 (4)
25 (6)
34 (6)
40 (6)
46 (6)
56 (6)
60 (6)
62 (5)



67
-
30 (5)
41 (5)
51 (5)
62 (5)
78 (5)
88 (5)
96 (5)
106 (5)
121 (5)
137 (6)
146 (6)

In de tuin vinden we tegenwoordig ook nogal eens Gehoornde klaverzuring (Oxalis corniculata), maar dat is weer een geheel ander verhaal.

Referenties


Adres van de auteur
Fred Lambert, Sparrenlaan 52, Nuenen. Terug naar Publicaties