Gras is om in te liggen, deel 67. april
2005
Kranswieren rond Eindhoven, 1. John Bruinsma.  


‘Vroeger’, d.w.z. voor de laatste eeuwwisseling, behandelden floristen kranswieren net als hogere planten. Ze werden herkend, genoteerd en kwamen bijvoorbeeld in soortenlijsten terecht, gewoon bij de C ergens tussen Cerastium en Chenopodium. De Botanical Society of the British Isles beschouwt kranswieren nog steeds als een doelgroep. In Nederland daarentegen is de kennis van kranswieren na 1900 beperkt geweest tot algologen en pas sinds een jaar of 10 hebben ‘gewone’ floristen weer belangstelling voor deze groep hoog-georganiseerde algen. Zo neemt het aantal vondstmeldingen toe en verschijnt er bijvoorbeeld een hoofdstuk Kranswieren in de Flora-atlas van de regio Amsterdam.

Kranswieren
Kranswieren zijn bijzondere algen in die zin, dat er duidelijke structuren aan te zien zijn: hoofdassen die in principe heel lang kunnen worden (een halve meter of meer), zijassen die veel kleiner blijven (zeg 5-10cm), stekels, met de loep zichtbare voortplantingsorganen en dergelijke (zie fig.1 en 2).
De laatste jaren is er goed bruikbare literatuur gemaakt. Joop van Raam heeft een Handboek kranswieren geschreven en de Jeugdbondsuitgeverij heeft een handzame determinatietabel over kranswieren uitgebracht. Het is geschikt om voor determinatie te blijven gebruiken en de tekeningen erin zijn naar mijn mening onovertroffen. De verspreidingskaartjes van de hele Benelux zijn de meest complete die (tot heden) bestaan.
De verspreiding van kranswiersoorten in het pleistocene deel van Nederland is slecht bekend. In elk geval zijn ze er niet algemeen, al was het maar omdat oppervlaktewater schaarser is dan in holoceen Nederland. De in Nederland algemeenste soort, Chara vulgaris, speelt op het pleistoceen een bescheiden rol, andere soorten zijn algemener. Bovendien zijn de groeiplaatsen deels andere dan in West-Nederland. Daar groeien kranswieren vooral in duinplassen, laagveenplassen en sloten, biotopen die op het pleistoceen niet of veel minder voorkomen.

Voorkomen rond Eindhoven
In het gebied van de Flora van Eindhoven is vòòr 1986 één vondst gemeld: Nitella translucens werd door Van der Sande Lacoste in augustus 1874 gevonden bij het kasteel Heeze. Vanaf 1989 is de Characeae Werkgroep Eindhoven (CWE) enige jaren aktief geweest, nadat uw schrijver in 1986 begonnen was met het verzamelen van kranswieren. Deze werkgroep had vooral het karakter van een studiegroep: hij was zeer nuttig om de kranswieren te leren kennen. Daarna is slechts uw auteur aktief met deze groep bezig gebleven en zijn andere netwerken ontstaan.
Vanaf 1986 t/m 1999 zijn er in ‘ons’ flora-gebied 95 vondstmeldingen gedaan, de meeste door ondergetekende, de overige door andere leden van de Floristische Werkgroep Eindhoven, de Bekenwerkgroep Nederland en de inventarisatiemedewerkers van de provincie Noord-Brabant. Uiteraard zijn de waarnemingen niet compleet, wel geven ze een indruk van wat er in ons flora-gebied aan patronen zijn.

Standplaatsen
De nu volgende beschouwing over de standplaatsen is gebaseerd op een redelijke kennis van de omgeving, maar niet altijd exact. Zo is bij voorbeeld niet geheel bekend waar gebiedsvreemd water wordt aan gevoerd en is niet altijd op slootbodem-niveau bekend of er sprake is van leem of zand. Tabel 1 geeft een indeling van de standplaatsen.
Van de 69 vindplaatsen waar sprake is van gebiedseigen water, liggen er 23 op leem. Dat is relatief veel, omdat het leemgebied klein is ten opzichte van het zandgebied. In het leem is veel meer open water. Vooral in het leem - en in de bredere beekdalen - zijn er sloten en poelen, waar tezamen 2/5 van alle kranswieren gevonden is. Bovendien wordt in het leemgebied klei gewonnen en ontstaan bij grondwerkzaamheden plasjes die gedurende langere tijd water bevatten. Een aardig voorbeeld hiervan is het terrein van Philip Morris in het hartje van Eindhoven waar kranswieren groeiden toen de gebouwen waren afgebroken. Ook is opvallend dat alle bijzondere soorten (behalve Nitella translucens) in het leemgebied zijn gevonden.

Tabel 1. Vondsten verdeeld over gebiedseigen/gebiedsvreemd water en grondsoort.
  aantal %
gebiedseigen water 69 72,6
waarvan op zand 46 48,4
waarvan op leem 23 24,2
gebiedsvreemd water 26 27,4
totaal 95 100

De beken en gegraven waterlopen in het gebied zijn de voornaamste vindplaatsen van Nitella flexilis. Ook Nitella mucronata wordt hier wel gevonden. Overigens is het verschil tussen een rechtgetrokken beek, een gegraven loop en een sloot soms klein.
Veel van het water op het zand is te zuur voor kranswieren. Dat geldt voor vrijwel alle vennen, en het zal ook wel voor de meeste vennen in het verleden hebben gegolden. Alleen in vennen waar gebufferd water werd aangevoerd, hetzij van nature (in een beekdal), hetzij kunstmatig (door een beek door het ven te leiden) is het voorkomen van kranswieren mogelijk. De meeste vondsten in vennen in onze regio betreffen het Beuven, dat in verscheidene km-blokken ligt.
In gebiedsvreemd water is ruim 27% van alle vondsten gedaan. Het grootste deel betreft vondsten in het Eindhovens Kanaal, waar vooral koelwater van de Campina en via de Zuid-Willemsvaart aangevoerd Maaswater in wisselende mate aanwezig zijn. Andere plaatsen met gebiedsvreemd water zijn het Groot Meer bij Vessem (spoelwater van pompstation waterleidingbedrijf), de Snelle loop (naast kwelwater uit de Peelrandbreuk is daar Maaswater) en het Grevenschutven (Tongelreepwater: als je dat gebiedsvreemd mag noemen) en de vijver bij een school die met leidingwater is gevuld. Ook een sloot met deels kwelwater vanuit het Wilhelminakanaal kan gebiedsvreemd worden genoemd.
In ondiep, stilstaand, voedselrijk water zijn kranswieren meestal tijdelijk aanwezig. In tegengestelde omstandigheden kunnen kranswieren gedurende lange tijd blijven groeien. Bij voorbeeld dieper: Eindhovens kanaal, zandgaten, stromend: beken, minder voedselrijk: vennen.

Wordt vervolgd! In de volgende aflevering: verspreidingskaartjes, de standplaatsen van de afzonderlijke soorten, slotbeschouwing.

Noten

  1. Denters, Ton & Bart Vreeken m.m.v.Joop van Raam. (1998). Flora-atlas van de regio Amsterdam. Haarlem.
  2. Raam, J.C. m.m.v. E.X.Maier, J.Bruinsma, J.Simons en H.Stegenga (1998). Handboek Kranswieren. Charaboek, Hilversum.
  3. Bruinsma, John, Werner Krause, Emile Nat & Joop van Raam (1998). Determinatietabel van kranswieren in de Benelux. Stichting Jeugdbondsuitgeverij, Utrecht.ISBN 90-5107-032-2. Ook te koop bij de auteur van deze aflevering van Liggen............ Prijs 11,-.
    (Thorbeckelaan 24; 5694 CR Breugel; 0499-473384; bruinsma@dse.nl)>

Terug naar Publicaties