Gras is om in te liggen, deel 103. november
2007
Een ruderaal terrein in het Drents dorp. Joep Spronk.  


Zeker als de artikelen over de molenbelten niet als handelend over adventiefterreinen worden gerekend, is het al een tijdje geleden dat de lezer vergast is op onverwachte merkwaardigheden van niet-natuurterreinen. Zo herinner ik me 'Dwalen op de Haes' van Marco Spooren en als ik zo vrijpostig mag zijn wil ik nu wel iets noteren over een gebiedje dat geen woonwijk meer is maar een terrein (vrij naar Spooren 1986).

Eindhoven is een vrij gevaarlijke stad. Als je in een een beetje oude wijk woont, loop je het risico dat je plaats moet maken voor vernieuwbouw. Soms gebeurt dat fijnmazig, zoals in Schuttersbosch waar pand voor pand vervangen wordt, maar meestal grootschalig. Ik herinner me een vorm van kaalslag in Woensel wat botanisch gezien voornamelijk vogelkooiadventieven opleverde.
  kaart van 1897/1904 huidige stafkaart
Herinrichting van industrieterreinen heeft al tot eerdere artikelen geleid. Naast het hierboven al gememoreerde terrein de Haes is ook over Mignon-de Block geschreven. De recente herinrichting van de Strijpse Philips-fabrieken leverde wellicht ook door de slechte toegankelijkheid weinig anders op dan Kafferkoren (Sorhgum bicolor) en Wilde sorgo (Sorghum halepense).

In 2006 werd in Lievendaal een deel (?) van de wijk met Polynormwoningen gesloopt. Om deugdelijk onderzoek te voorkomen werd het terrein omgeven door een hekwerk, waar de bewoners slechts na lange tijd pas weg mee wisten. Iets meer oostelijk werd in 2007 begonnen met het verwijderen van de woningen aan de stadsrand van het Drents Dorp. Dit gebied bleef vrij toegankelijk en vanaf de zomer bracht ik hier menig pauze door.
Uiteraard is het terrein onderzocht werd het stukje ten noorden van de Halvemaanstraat tussen de (voormalige) Apeldoornstraat en Zutphenstraat, niet altijd een woonwijk geweest. De kaart van 1897/1904 past nog redelijk over de huidige stafkaart. Daaruit blijkt dat precies waar nu gebotaniseerd kon worden eertijds akkertjes lagen langs en aan het einde van de 'Vensche Heistraat'. De pijlen op de kaartjes wijzen naar de lokatie van het terrein.


Een blik op de soortenlijst laat zien dat er buiten de te verwachten uiterst en zeer algemene soorten ook redelijke zeldzaamheden zitten:
Gekielde dravik (Ceratochloa carinata), Muurleeuwenbek (Cymbalaria muralis), Gipskruid (Gypsophila muralis), Zeegroene rus (Juncus inflexus) en Vreemde ereprijs (Veronica peregrina). Maar het meest bijzonder zijn natuurlijk de soorten die in de vorige eeuw hier nog niet gezien waren: Hoge fijnstraal (Conyza sumatrensis), Bleek cypergras (Cyperus eragrostis), Stekelige hanepoot (Echinochloa muricata), Kruipkattestaart (Lythrum junceum), Boerentabak (Nicotiana rustica) en Tabak (N. tabacum). Alleen van de laatste twee is het niet onaannemelijk dat deze in een of meer van de tuintjes van de verwijderde panden voorkwamen. Dat geldt naar alle waarschijnlijkheid ook voor Selderij (Apium graveolens), Vlinderstruik, (Buddleja davidii), Boekweit (Fagopyrum esculentum), Tuinlobelia (Lobelia erinus), Slaapbol (Papaver somniferum), Schildpadbloem (Penstemon spec.), Petunia (Petunia spec.) en Trosgierst (Setaria italica).
  Kruipkattestaart.
  Kruipkattestaart.
Het eerste deel van de soortenlijst toont aan dat òf ik me vergis en was er tenminste één bewoner geïnteresseerd in planten òf er is sprake van recente snelle uitbreiding van soorten. Van Stekelige hanepoot en Hoge fijnstraal is dat inmiddels bekend en ook lokaal zijn deze soorten al gevonden. Bleek cypergras was tot dit jaar, dus tot en met 2006, bekend uit slechts één hok (Spronk 2004). In 2007 werd deze soort behalve in het Drents Dorp ook gezien op het terrein van de afgebroken Polynorm woningen, op een verlaten kwekerij in Riel (maar daar duidelijk niet gekweekt), langs de Dommel bij het Stratumseind en langs de 'Effenaar-vijver' (mededeling Petra van Leeuwen). Alleen op het terrein in het Drents Dorp werden vele exemplaren geteld. Op de overige lokaties variëren de aantallen van een tot zes. Er lijkt dus alle reden om de komende jaren attent te zijn op dit cypergras.

Een raadsel blijft de herkomst van de Kruipkattestaart. Het lijkt met uitsluiting van floristen en als daar een florist gewoond heeft dan had ik deze wel willen kennen onwaarschijnlijk dat deze soort in tuinen voor de sier gekweekt wordt. Ook een relict uit het verleden kan het nauwelijks zijn, omdat de soort nog nimmer in onze omgeving is gezien.
Ook het natuurlijke voorkomen van de soort op natte, hoogstens tijdelijk iets drogere bodems, ook voor Bleek cypergras, geeft geen aanleiding om te verwachten dat de lage soort in tuinen werd gekweekt.
Van de Boerentabak heb ik enige tijd vermoed dat het een lichtgele variant was van Wolfskers (Atropa bella-donna). Omdat de vrucht echt geen bes wil worden die duidelijk groter is dan de kelkbuis, komt de soort in de bestanden en in het herbarium terecht onder de naam Nicotiana rustica. Er stonden in de verschillende delen van het terrein een redelijk aantal planten. Deze Boerentabak zal wel afkomstig zijn uit een tuin, omdat volgens de geleerden het zaad slechts kort houdbaar is. Dan is herkomst van de oude akkertjes niet aan de orde. Koos Ballintijn meldde dezelfde soort uit Purmerend in 2006 (waarneming.nl).

Ecologisch stelt een ruderaal terrein doorgaans weinig voor. Ook hier domineren de soortengroepen van voedselrijke omgevingen, wat gezien de recente historie niet verrassend is. Dat er zo weinig kwaliteit gehaald wordt in willekeurig welke groep wordt veroorzaakt door het slechts in een klein deel van het seizoen het veld bezocht te hebben.
Ger Breman observeerde een groot aantal planten uit de familie van de Nachtschade-achtigen (Solanaceae). Dat blijkt relatief inderdaad de meest voorkomende familie van het terreintje te zijn. Komen er in onze regio in de 20ste eeuw van deze familie 7 soorten voor die op de standaardlijst staan, op het veldje komen er maar liefst 9 soorten uit de Nachtschade-familie voor. Andere hoog scorende families zijn: Buddlejafamilie en Kattestaartfamilie (100%), Lisdoddefamilie en Papaverfamilie (50%), maar van deze families komen zo weinig soorten voor in Nederland dat ze in deugdelijke statistieken geëlimineerd zouden worden.


  Boerentabak
  Boerentabak
De - te verwachten deceptie kwam eerder dan gehoopt begin november. De grootdoeners waren langs geweest en nu al is het geen terrein meer, maar woest en ledig.

De Dommel is terloops al ter sprake gekomen als vindplaats van Bleek cypergras. In 2007 werd in de Dommel volop Grote waternavel (Hydrocotyle ranunculoides) gezien (dit is dezelfde soort die in de vorige Dubbelloof als 'Amerikaanse navel' opgevoerd werd). Ook Vlottende waterranonkel (Ranunculus fluitans) is inmiddels in de beek gevonden. Het eerste is dubieus zo geen slecht nieuws. Het laatste is reden tot vreugde. Laat in het jaar bloeiden bij het Stratumseind nog Beekpunge (Veronica beccabunga) en Blauwe waterereprijs (Veronica anagallis-aquatica). Zeer verrast en verheugd was ik met een grote plak van - weliswaar niet bloeiend - Klimopwaterranonkel (Ranunculus hederaceus).

Literatuur



Adres van de schrijver:
Heggeranklaan 12
5643 BR Eindhoven


Terug naar Publicaties