Gras is om in te liggen, deel 102. september
2007
Over het nut van het leveren van de verspreidingsgegevens aan de gemeente. Joep Spronk.  


  Klein glaskruid (Parietaria judaica)
  Fig. 1: Klein glaskruid (Parietaria judaica).

Al sjokkend door de stad zien en zagen we best veel manieren waarmee het onderwerp van studie van de floristische werkgroep onheus bejegend wordt.

Zoals door Fred Lambert in zijn ‘Plantaardig’ al prozaïsch weergegeven is, gaan wij zelf ook niet vrijuit als het gaat om verminken – of erger – van exemplaren van planten. Er raken veel onderdelen van planten los om een exemplaar te kunnen benoemen en soms wordt zelfs louter voor demonstrerende doeleinden een plant geplukt. Een herbarium vol bewijst dat wij niet te kieskeurig zijn met verzamelen. Er heerst zelfs de overtuiging dat - ook al staat er maar één exemplaar - nieuwe planten voor de regio altijd verzameld moeten worden. En dat alles onder het mom van wetenschap of ‘wat daarvoor door moet gaan’.

Op min of meer kleine schaal doet een aantal stadsbewoners mee aan een plantonvriendelijk netheidideaal. Met krabbers, mesjes en wat dies meer zij worden Zilvermossen, Vetmuren, Liefdegrassen, Beemdgrassen en ander ‘ongerief’ te lijf gegaan om vervolgens te ervaren dat zulk een exercitie herhaald en herhaald en herhaald moet worden. Met lede ogen zien we soms ook hoe in tuinen soms de botanisch interessante soorten metterdaad niet gewenst worden verklaard.

Tot een bijzondere vorm van particulieren mogen organisaties en stichtingen gerekend worden. Daarbij hoort het Prins Bernhard Cultuurfonds dat de restauratie (mede) gefinancierd heeft van de muren om de Joodse begraafplaats in Woensel. Een gevolg van dit herstel is wel dat de hele muurvegetatie verloren gegaan, die bestond uit drie verschillende soorten uit het geslacht Streepvaren (Asplenium).

Op grotere schaal wordt het bijhouden van de leefomgeving gedaan onder auspiciën van overheden, lagere en hogere. Tot de laatste categorie hoort bijvoorbeeld Rijkswaterstaat die er niet voor terugdeinst om bermen die sinds de jaren ’60 en ’70 van de vorige eeuw refugia zijn van vele soorten op te offeren voor extra rijstroken of zelfs ‘gewoon’ onderhoud. Zo is in 2006 een ernstige aanslag gepleegd op een van de laatste populaties in onze omgeving en – naar wij weten – zeker de laatste populatie in Eindhoven van Stijve ogentroost (Euphrasia stricta) ten zuiden van de Wielewaal.

Een grote speler in de groep lagere overheid is de gemeente, in het onderhavige geval Eindhoven. Tot het arsenaal aan mogelijkheden, naast het aloude schoffelen, behoren bij deze instantie: branden en borstelen. De chemische weg is gelukkig verlaten. Ook herbestrating eist slachtoffers. Zo verdween Akkerdravik (Bromus arvensis) aan de Sportlaan, en daarmee uit onze regio, door deze techniek nadat de soort jarenlang de borstels overleefd had. Daarnaast zijn er ‘milieu’vriendelijke alternatieven in praktijk gebracht zoals het dichtkitten van de voegen tussen tegels en het leggen van kunstgras. Als het niet zo triest was zou je je (in de schouwburg) wanen bij een tweederangs komedie.

Klein glaskruid (Parietaria judaica)  
Fig. 2: Klein glaskruid (Parietaria judaica) Uit: Dodoens: Cruydeboeck.  

Van alle gemeentes waar wij als floristische werkgroep actief zijn is Eindhoven de enige aan wie wij onze systematisch verzamelde gegevens per soort per kilometerhok ter beschikking stellen.

Klein glaskruid
Klein glaskruid (Parietaria judaica) is een van de weinige taxa uit onze omgeving die gedijt op muren. Tot deze groep behoren – bij ons – ook Tongvaren (Asplenium scolopendrium), een enkele Steenbreekvaren (Asplenium trichomanes), een enkele aanvankelijk verwilderde Vlinderstruik (Buddleja davidii) of Muurleeuwenbek (Cymbalaria muralis). Bij de natte van de muurvegetaties vormen vinden wij hoogst zelden Blaasvaren (Cystopteris fragilis) en bij de droge Muurvaren (Asplenium ruta-muraria) en Plat beemdgras (Poa compressa).

Zowel Klein glaskruid als de vegetaties waar deze soort onderdeel van uitmaakt zijn uiterst zeldzaam in onze regio. De soort staat zowel in de atlas van 1993 als die van 2005 op de lokale rode lijst. De kruidenvegetatie op vochtig stenig substraat staat op zo’n zelfde rode lijst voor ecotoopgroepen. Rembert Dodoens gaf op dat (Klein) glaskruid bij tuinen, muren en wegen voorkwam. Als zijn ‘gheerne’ zou betekenen dat dat ook regelmatig (of vaak) gebeurde, dan is dat gezien alle Nederlandse, Brabantse en lokale verspreidingswerken voor onze omgeving zeer onwaarschijnlijk geweest.


 Uit: Dodoens: Cruydeboeck.  
Fig. 3: Uit: Dodoens: Cruydeboeck.  
Het Eindhovens kanaal
De combinatie ‘grootschalig’ overheidsingrijpen in de plantenwereld en Klein glaskruid brengt ons bij het Eindhovens kanaal. Ter gelegenheid van het verbouwen van het NRE-gebouw werd net achter de hefbrug een dam aangebracht, inderdaad op de eerste en grootste groeiplaats van Klein glaskruid. Ternauwernood heeft de soort dit overleefd en het herstel ging uiteindelijk zo voorspoedig dat er weer een mooie groep planten stond. Dat duurde tot de gemeente meende de noordelijke kanaalkant vanaf de brug over de Tongelresestraat over een 100-tal meters te moeten renoveren. Dat werd gedaan door ijzeren platen te plaatsen, de eventuele ruimte tussen de ‘damwanden’ en de weg vol te storten en vervolgens te plaveien. Voor de grote populatie Klein glaskruid betekende dit het einde van de groeiplaats, want ook in een klein randje voor de soort werd niet voorzien.

Aanzet voor een discussie
Zoals boven vermeld is, heeft de Floristische werkgroep een aantal jaren geleden zijn gegevens verstrekt aan de gemeente Eindhoven. Doelstelling van de gemeente was – zulks wordt natuurlijk nooit schriftelijk vastgelegd (dat reken ik mij zeker aan) en daarom put ik uit mijn geheugen – om zeldzame soorten te beschermen als er gemeenteplannen waren die Rode-lijstsoorten konden bedreigen. Een paar jaar geleden is nog een update van de gegevens verstrekt. Inmiddels is natuurlijk ook de atlas met de verspreiding van de hogere planten verschenen met daarin de vernieuwde rode lijsten, waarbij zelfs vermeld is in welke gemeente de soorten voorkomen.
In de tijd die verstreken is tussen de initiële verstrekking van de gegevens, op de moderne manier, dus elektronisch, heeft geen plannenmaker ooit contact met een werkgroeplid opgenomen om een nauwkeuriger indicatie van de groeiplaats van een soort op te vragen.
Sterker, bij navraag een paar jaar geleden kon zelfs geen inzicht worden gegeven wanneer ‘onze’ gegevens gebruikt waren. Als de gegevens gebruikt waren om in het veld na te gaan of een soort voorkwam op het terrein waarvoor plannen werden gemaakt, dan zal in het onderhavige geval zonder twijfel Klein glaskruid opgevallen zijn. De grootte van de soort en van de populatie, gecombineerd met het feit dat de soort het hele jaar door aanwezig is, maakt het schier onmogelijk de groeiplaats gemist te hebben.
Kortom, bij ons wringt een schoen: moeten we nog wel gegevens leveren als aan de basisafspraak – bescherming van lokaal zeldzame soorten – geen gevolg wordt gegeven.
We kunnen ons desnoods voorstellen dat de afdeling plannenmakerij een andere is dan de afdeling uitvoering. Maar de organisatie van een gemeente, waaronder de taken van afdelingen, en herstructureringen daarvan hoeven we als werkgroep niet in de gaten te houden, als we dat al zouden kunnen.

Helemaal treurig worden we, als floristen, omdat dit gebeurd is langs het Eindhovens kanaal. Dit herbergt immers twee soorten waarvan dit kanaal de enige groeiplaats is in de wijde omgeving, in ieder geval de Benelux. Zoals al in de atlas staat bij het lemma Parietaria judaica gebeuren er meer floristische ongelukken als er onzorgvuldig met het kanaal en de balken erlangs omgegaan wordt. Het eerste ongeluk is gebeurd.

Graag lezen we wat andere leden en werkgroepen over dit onderwerp denken. Het lijkt ons voor de afdeling een goede zaak om een standpunt hierover te vormen. We pleiten dan ook voor een meningsvorming hierover en waarom niet in Dubbelloof.

Literatuur


Adres van de schrijver:
Heggeranklaan 12
5643 BR Eindhoven


Terug naar Publicaties