Floristische Werkgroep KNNV Eindhoven. januari
2007
Verslag van twee excursies naar het Belversven in 2006 John Bruinsma  


  Het Belversven vanaf de vissteiger naar het noordoosten; 6 oktober 2006.
  Voorkant: Het Belversven vanaf de vissteiger naar het noordoosten; 6 oktober 2006.
Inleiding
Op verzoek van Leo de Bruijn, onderzoekscoördinator van Natuurmonumenten, zijn enige leden van de Floristische Werkgroep van de KNNV – Eindhoven op 7 juli 2005 varend op excursie geweest naar het Belversven. Dat heeft geen enkele onderwaterplant opgeleverd, (Bruinsma, 2005). Daarna is het ven leeggepompt. Leo de Bruijn, een stagiair en ik hebben het leegstaande Belversven bezocht en er geen enkel teken van een onderwaterplant gezien. In de loop van de winter is het ven uitgebaggerd en is het moeras aan de west- en noordrand deels weggegraven. Na beëindiging van de werkzaamheden vult het ven zich weer vanzelf met kwel- en regenwater. Op 24 juli 2006 heb ik het ven opnieuw bezocht, ditmaal door het 5˝ uur te doorwaden. Het was tot 1 m diep goed te overzien, dat is tot 20–40 meter uit de kant. In het diepere gedeelte kunnen andere planten staan en kan vooral de bedekking anders zijn, omdat de planten daar al langer kunnen hebben gegroeid. Op 6 oktober 2006 zijn Toon van der Schans, Wim van der Ven en ik wederom varend op excursie geweest, 1,9 km lang. We hebben ook nu 20-40 meter langs de kant gekeken, tot plm 1˝ diep. Het weer was op 6 oktober niet ideaal voor het waarnemen van waterplanten: vanwege de wind was het moeilijk roeien en onder water kijken. Meestal moesten planten worden opgeharkt.

Het enige dat in 2006 is beschreven, is de watervegetatie langs de rand en – wat oppervlakkiger – de begroeiing van kaal zand op de oever en op enige eilandjes in juli. De meeste nu onder water staande planten zijn ter plekke gekiemd, al dan niet toen de kiemplaats nog droog stond. Enkele planten zijn duidelijk afkomstig van uitlopers, zoals bijvoorbeeld alle Riet.
Dit rapport gaat dus nadrukkelijk niet over de veenmos- wilg, en-, gagel en rietmoerassen langs de randen, ook niet over de slenken aan de oostrand met Utricularia minor en een beetje U.intermedia (Klein en Plat blaasjeskruid).

In het onderzoek zijn de al eerder toegepaste schalen gebruikt. Voor het beschrijven van alle soorten:
r = enkele planten; verder het percentage bedekking: <1, 1 t/m 100%. Daarnaast een code voor de verspreiding van een soort over het ven:
a: homogeen
b: tamelijk homogeen
c: homogeen noch heterogeen
d: tamelijk heterogeen
e: heterogeen.

-: een soort is in juli of oktober niet waargenomen.



In de tabel met waterplanten is een kolom ‘eerder’ opgenomen, met daarin de volgende codes:
hDe soort wordt genoemd in het historisch overzicht van waterplantenflora en -vegetatie dat loopt van 1923 t/m 1977 in Van Dam 1983.1
76Van Dam en Veerkamp hebben de soort in 1976 genoteerd (Van Dam 1983)
84Hofman en Janssen hebben de soort in 1984 genoteerd (Hofman en Janssen 1986).
1Soorten die wel genoemd worden in dit overzicht en niet door ons zijn waargenomen: Potamogeton perfoliatus, Myriophyllum spicatum, Elodea canadensis, Hottonia palustris, Stratiotes aloides en Lobelia dortmanna. In deze vergelijking is de begroeiing van iets meer geďsoleerd liggende uitlopers en slekjes niet meegenomen, omdat we die in 2006 niet onderzocht hebben.
  Gevaren en gewandelde route.
  Fig. 1: Het Belversven. Met een zwarte lijn is de vaartocht in 2005 ingetekend. Deze volgt de toenmalige oever. Met een blauwe lijn is de vaartocht in 2006 ingetekend. In het westen is het water uitgebreid. De tochten beginnen in het zuidwesten (bij de steiger) en te zien is dat in 2006 getracht is het midden te monsteren. Dat bleek echter te diep. De ‘wandeltocht’ in 2006 volgt ongeveer de blauwe lijn, maar dan vanaf de steiger langs de kant.
Voor het lokaliseren van bijzondere soorten is gebruik gemaakt van Amersfoort-coördinaten, vastgesteld met GPS, en voor de schaal is de FLORON-Rode lijst schaal gebruikt.

Van de zandige oevers is in juli een aanvullende soortenlijst gemaakt, alleen de soorten die niet al bij het water worden genoemd.

Er zijn geen mossen aangetroffen, of het moesten enkele (vrijwel) dode, van de oever gevallen Sphagnum denticulatum-planten zijn.

De bodem is grotendeels zandig, op sommige plaatsen ligt een dunne, rond een halve centimeter dikke sliblaag.

In juli is de bodem op de meeste plaatsen vrijwel onbedekt. Plaatselijk is de bedekking veel hoger, vooral met Nitella flexilis aan de oostrand. In oktober is de bodem op de meeste plaatsen wel bedekt. Er zijn ook nog steeds grote stukken zonder vegetatie.

We hebben geen vis gezien, ook niet opspringend of iets dergelijks. Wel waren er in juli een Fuut en een Dodaars op het ven.

Belversven open water  
X-coördinaat>145,2
Y-coördinaat>398,3
Lengte proefvlak (m)>500
Breedte proefvlak (m)>200
 7 juli6 okt
Helderheid waterhelderhelder
pH6,36,8
EGV (μS cm-1)290150
Bedekking totaal (%)230
Bedekking helofyten (%)<11
Bedekking drijflaag (%)<1<1
Bedekking onder water (%)230


EerderWetenschappelijke naamaantal
juli
aantal
oktober
Nederlandse naam
 Alisma plantago-aquatica<1crGrote waterweegbree
 Callitriche platycarpa<1drGewoon sterrenkroos
 Cardamine pratensis<1d-Pinksterbloem
76Carex pseudocyperus-<1cHoge cyperzegge
76,84Carex rostrata<1e<1bSnavelzegge
 Chara globularis v. virgata<1b25bTeer kransblad
76Cicuta virosa<1drWaterscheerling
 Eleocharis palustris<1e-Gewone waterbies
 Elodea nuttallii-<1eSmalle waterpest
 Eleogiton fluitansrrVlottende bies
 Epilobium speciesr-Basterdwederik (G)
76Galium palustre<1e-Moeraswalstro
 Glyceria fluitans<1e<1eMannagras
hHydrocharis morsus-ranae<1d<1eKikkerbeet
76Hypericum elodes-<1eMoerashertshooi
76,84Juncus bulbosus<1d<1dKnolrus
76Juncus effusus<1d<1ePitrus
 Lemna minor<1d<1eKlein kroos
76,84Lythrum salicaria<1b<1cGrote kattenstaart
84Mentha aquatica<1d-Watermunt
 Nitella flexilis 1b 5bBuigzaam glanswier
hNitella translucens<1e<1dDoorschijnend glanswier
h,84Nuphar lutea<1d<1eGele plomp
h,76,84Nymphaea alba<1b<1bWitte waterlelie
 Oenanthe aquatica<1e-Watertorkruid
76Persicaria hydropiper<1c<1aWaterpeper
76,84Phragmites australis<1c<1cRiet
 Potamogeton gramineus<1d<1eOngelijkbladig fonteinkruid
 Potamogeton x angustifolius (gramineus x lucens)<1c<1eGegolfd fonteinkruid
 Potamogeton lucens<1d<1cGlanzig fonteinkruid
hPotamogeton natans<1e<1cDrijvend fonteinkruid
 Potamogeton x sparganifolius
(natans x gramineus)
-rZwaardbladig fonteinkruid
 Potamogeton obtusifolius<1e-Stomp fonteinkruid
 Potamogeton polygonifolius<1d<1dDuizendknoopfonteinkruid
76Ranunculus linguar-Grote boterbloem
 Riccia fluitans<1drGewoon watervorkje
76Schoenoplectus lacustris 1a 2aMattenbies
 Sparganium emersum<1c<1eKleine egelskop
76(cf.)Sparganium erectum<1d<1dGrote egelskop s.l.
84Typha angustifolia<1c<1cKleine lisdodde
76Typha latifolia<1d<1dGrote lisdodde
 Utricularia australis/vulgaris-rLoos of Gewoon blaasjeskruid


Een klein randje van het ven ligt in het km-hok 145/397. Ranunculus lingua is de enige soort die alleen in 145/397 voorkomt (1 ex). De determinatie van Potamogeton natans x gramineus (= x sparganifolius) is bevestigd door Klaus van de Weyer, waterplantenexpert, Nettetal, Duitsland; http://lanaplan.de/. Niet alle determinaties zijn geheel zeker, met name Typha angustifolia / latifolia, misschien ook Sparganium emersum en gekiemde Sparganium erectum. Wellicht zijn ook (voor de aantallen) Typha, Schoenoplectus en Sparganium niet helemaal goed gescheiden. Mogelijk is ook een enkel zeer jong exemplaar van Potamogeton lucens aangezien voor P x zizii of omgekeerd. Utricularia australis en vulgaris zijn vegetatief niet te onderscheiden.

Terwijl er al dertig jaar geen onderwaterplanten in het ven zijn gezien en de venbodem vrijwel mineraal werd opgeleverd, is het verbazend hoe snel waterplanten zich vestigen. Daarbij zijn een groot aantal regionaal en/of landelijk bijzondere tot uiterst zeldzame: Eleogiton fluitans, Hypericum elodes, Nitella translucens, Potamogeton gramineus, Potamogeton x angustifolius (gramineus x lucens), Potamogeton lucens, Potamogeton x sparganifolius (natans x gramineus), Potamogeton obtusifolius, Potamogeton polygonifolius en Utricularia australis/vulgaris. Het kan niet anders dan dat deze soorten in de zaad- en sporenbank overleefd hebben, soms massaal. Hoe vaak zullen zij dan door een vis zijn opgepakt en uitgespuugd of hoe vaak zijn ze het vissenspijsverteringkanaal gepasseerd? Een enkele soort is vrijwel uitsluitend gekiemd op de achtergebleven steile veenranden. Vooral van Potamogeton x angustifolius valt dat op.
Even zo verbazend is het gebrek aan overeenstemming tussen het historische voorkomen van onder water- en drijfplanten (voor 1976) en het voorkomen in 2006. Zo zijn op een na alle Fonteinkruidtaxa nieuw.
Het is de vraag hoe planten die zich alleen vegetatief voortplanten, het ven hebben bereikt. Dit betreft Elodea nuttallii, die bij de steiger in de bodem wortelt en mogelijk ook de Utricularia, waarvan enkele planten tegen de kant dreven bij de ingang naar de plas achter de rietkraag in het oosten.

De ontwikkeling in 2006 stemt hoopvol dat er ook in de toekomst waterplanten zouden kunnen groeien. In het heldere water staat een bescheiden vegetatie. Het laat zich aanzien dat hier niet een overmaat aan voedingstoffen aanwezig is. Daarom hoeft bijvoorbeeld niet gevreesd te worden de snelle ontwikkeling van een anaerobe sliblaag of voor vertroebeling door het vrijkomen van voedingstoffen bij de afbraak van een grote plantenmassa.

Op het eerste gezicht ziet het ernaar uit dat het ven niet extreem zuur wordt. De alkaliniteit hebben we niet gemeten.

De vraag is of het weer uitzetten van vis (hoeveel?, soorten, bijvoorbeeld bodemwoelers?) en het gedrag van de vissers (voeren?) het mogelijk maken dat deze bijzondere vegetatie blijft bestaan.

Belversven bijzondere soorten 
Eleogiton fluitansjuli: 145,128/398,456 a. oktober; 145,113/398,407 b.
Hypericum elodesoktober: 145,113/398,407 c (en een niet opgenomen plek in de noordrand: c).
Illecebrum verticillatumjuli: 145,071/398,232 a; precies op de plek waar de geul heeft gelegen om het ven leeg te pompen.
Potamogeton gramineusjuli: 145,104/398,267 b; 145138,/398,424 a; 145,303/398,428; 145,319/398,386 b; 145,255/397,979 a.
Potamogeton polygonifoliusjuli: 145,102/398,181 b; 145,116/398,477 f; 145,221/398,491 b; 145,296/398,436 c.
Potamogeton x angustifoliusjuli: 145,310/398,424 c; 145,319/398,386 b; 145,354/398,114 a; 145,329/398,003 a; 145,303/397,985 a; 145,156/398,019 d.
Potamogeton x sparganifoliusoktober: 145,119/398,020 a.
Nitella translucensjuli: 145,345/398,192 a; 145,353/398,118 a.
Ranunculus linguajuli: 145,313/397,986 a.


Belversven – zandige oevers - juli
Uitsluitend op de zandige oevers zijn aangetroffen:
Illecebrum verticillatum Grondster 
Callitriche cf. brutia cf. Haaksterrenkroos 
Carex pseudocyperus Hoge cyperzegge 
Juncus bufonius Greppelrus 
Lycopus europaeus Wolfspoot 
Pinus sylvestris Grove den 
Poa annua Straatgras 
Populus nigra  Zwarte populier (eventueel x deltoides) 
Ranunculus scleratus Blaartrekkende boterbloemEventueel Ranunculus sectie Batrachium, maar dit is onwaarschijnlijk.
Ranunculus flammula Egelboterbloem 
Salix cf. fragilis cf. Kraakwilg 
Salix cf. caprea cf. Boswilg 
Salix cinerea Grauwe wilg 
Solanum dulcamara Bitterzoet 


Verzamelde planten
De kranswieren, Potamogeton gramineus x lucens (= x angustifolia = x zizii), Potamogeton natans x gramineus (= x sparganifolius) en Potamogeton gramineus zijn verzameld en zullen te zijner tijd in het herbarium van het Milieu Educatie Centrum in Eindhoven worden ingelegd.

Literatuur

  • Bruinsma, John, 1994. Vennen in Midden-Brabant, opnieuw bezocht in 1991 en 1992. Characeae Werkgroep Eindhoven, Breugel.
  • Dam, H. van, 1983. Vennen in Midden-Brabant. Rijksinstituut voor Natuurbeheer, Leersum. RIN-rapport 83/23.
  • Hofman, Karin & Mirjam Janssen, 1986. Historische ontwikkelingen van vennen in Midden Brabant, qua vegetatie en waterchemie en een beschrijving van de huidige toestand. Doctoraalverslag voor het hoofdvak Aquatische Oecologie; verslag 210 van het Laboratorium voor Aquatische Oecologie, Katholieke Universiteit Nijmegen, in samenwerking met Rijksinstituut voor Natuurbeheer, Leersum.
  • Bruinsma, John, 2004. Verslag Excursie Floristische Werkgroep naar het Winkelsven, Kampina, 27 juni 2004. Floristische Werkgroep KNNV afdeling Eindhoven. Selecteer Publicaties/Verslagen.
  • Bruinsma, John, 2005. Excursieverslagen Oisterwijkse vennen 2005. Floristische Werkgroep KNNV afdeling Eindhoven. Selecteer Publicaties/Verslagen.
  Potamogeton x sparganifolius (P. natans x gramineus).
  Fig. 2: Onder water en op het oppervlak: Potamogeton x sparganifolius (P. natans x gramineus). Op de foto zijn phylodiën te zien: alleen een middennerf, middelgroen, een onderwaterblad: een langgerekte ,middelgroene bladschijf, en een aantal drijfbladen: lichtgroene bladschijven. Herbariummateriaal in Milieu Educatie Centrum Eindhoven. Determinatie bevestigd door Klaus van de Weyer, Nettetal (D).

Kaart en foto’s:

  • Wim van der Ven

Adres van de auteur
Thorbeckelaan 24
5694 CR Breugel
0499-473384
bruinsma@dse.nl

Terug naar Publicaties